Bestuursrechter moet meer bevoegdheden krijgen

De rechter moet meer bevoegdheden krijgen om beleid van gemeenten te kunnen toetsen. Dit zou tegenwicht bieden aan de huidige praktijk waarin gemeenten steeds meer vrijheid krijgen om zelf sociaal beleid te ontwikkelen.

Dit concluderen 4 Groningse rechtswetenschappers in een verschenen onderzoekU verlaat Rechtspraak.nl dat ze verrichtten in opdracht van Instituut GAK. 

Voorbeelden van beleidsterreinen waar gemeenten meer bevoegdheden kregen zijn de sociale bijstand en de maatschappelijke ondersteuning. De onderzoekers gingen na welke gevolgen deze veranderingen hebben voor het functioneren van de rechtsstaat. Doordat gemeenten verschillend beleid voeren, ontstaat er voor burgers rechtsongelijkheid. In de ene gemeente krijgen zij bepaalde zorg of uitkeringen wel, in andere niet.

 

Meer bevoegdheden

De bestuursrechter zou volgens de onderzoekers de bevoegdheid moeten krijgen bij een verschillende invulling van gemeenten van landelijk beleid in te kunnen grijpen. De rechter kan nu alleen in individuele zaken oordelen. De rechtswetenschappers pleiten ook voor een (collectieve) klachtenprocedure over de schending van sociale grondrechten bij het College voor de Rechten van de Mens. Zo’n procedure kan functioneren als een ‘geschikt alarmsysteem’ voor tekortschietend gemeentelijk sociaal beleid, menen de onderzoekers.

 

Waarschuwing

De Raad voor de rechtspraak heeft in een wetgevingsadvies over de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 al gewaarschuwd voor het mogelijk optreden van rechtsongelijkheid en minder rechtsbescherming als gevolg van deze wet.

Bron: Rechtspraak.nl

Vrijstelling griffierecht bij onvoldoende draagkracht

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) besliste in haar uitspraak van 13 februari 2015 dat bij onvoldoende financiële draagkracht in het bestuursrecht vrijstelling van griffierecht kan worden verleend. Zou dit niet kunnen, dan zou de toegang tot de rechter belemmerd worden. De CRvB heeft beslist welke criteria gelden. Deze criteria kunnen worden gehanteerd bij toekomstige beroepen op betalingsonmacht bij griffierecht.

De CRvB is de hoogste rechter op het gebied van het sociale bestuursrecht, het burgerlijke en militaire ambtenarenrecht en delen van het pensioenrecht. De uitspraak van 13 februari 2015 is gedaan door een zogenoemde grote kamer die bestond uit de president en een senior raadsheer van de Centrale Raad van Beroep, de voorzitter en een staatsraad van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

De rechtzoekende moet aannemelijk maken dat zijn maandelijkse netto-inkomen minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en dat hij ook niet beschikt over vermogen waaruit het griffierecht kan worden betaald. Hierbij is de gezinssamenstelling van de rechtzoekende niet van belang en moeten het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende. De rechtzoekende die vrijstelling van het griffierecht wil krijgen, moet dit uiterlijk voor het einde van de betalingstermijn verzoeken.

Bron: Mr. Online

Snellere procedure schadevergoeding bij overschrijden redelijke termijn bestuursrechter

Als een procedure door toedoen van de bestuursrechter langer duurt dan ‘redelijk’ is, kunnen belanghebbenden voortaan eenvoudiger en sneller een schadevergoeding krijgen. Dat is het gevolg van een nieuwe (253 kB) beleidsregel.pdfbeleidsregel van het ministerie van Veiligheid en Justitie, die per 1 oktober is ingegaan. De versnelling wordt mogelijk gemaakt doordat bij veel overschrijdingen de Raad voor de rechtspraak niet meer om een standpunt zal worden gevraagd.

De versnelde route is van toepassing op zaken waarin de schadevergoeding naar verwachting niet hoger dan 5000 euro zal zijn en waarbij geen belangrijke rechtsvragen aan de orde zijn. In deze zaken ziet de minister voortaan af van verweer. Het gaat om procedures waarin de oorzaak van het overschrijden van de redelijke termijn bij de bestuursrechter ligt. Als de termijn overschreden wordt door toedoen van het bestuursorgaan, bijvoorbeeld een gemeente, dan veroordeelt de bestuursrechter deze tot het vergoeden van de geleden schade.

Bron: Rechtspraak.nl

Meer bouwen met minder vergunningen vanaf 1 november

Bewoners en bedrijven kunnen per 1 november eenvoudiger aan- of uitbouwen, bijgebouwen plaatsen of andere kleine bouwwerken aan de achterkant van een woning of ander hoofdgebouw neerzetten. Het vergunningvrij vergroten van het hoofdgebouw wordt bijvoorbeeld uitgebreid van 2,5 naar 4 meter en het wordt mogelijk om in het achtererf bij een woning een woongelegenheid voor mantelzorg te plaatsen. Daarnaast gaat vaker de korte (reguliere) procedure  van acht weken in plaats van zes maanden gelden voor de omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. Die eenvoudige procedure gaat bijvoorbeeld gelden voor tijdelijke activiteiten tot een duur van 10 jaar.

“Door de regels eenvoudiger te maken of ze te versoepelen geven we bewoners en bedrijven meer ruimte voor innovatie en eigen initiatief. Daarmee wordt weer wat weggehakt in het ingewikkelde woud van regels, procedures en verschillende loketten”, zegt minister Melanie Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu die samen met minister Stef Blok voor Wonen en Rijksdienst  deze verdere vereenvoudiging mogelijk maakt. Dit besluit is van grote betekenis voor de dagelijkse praktijk. De nieuwe (landelijk uniforme) regels bepalen een maximaal toelaatbare oppervlakte van bijbehorende bouwwerken (aan- of uitbouwen en bijgebouwen) bij een hoofdgebouw  waarvoor niet langer een omgevingsvergunning nodig is. Daarmee wordt het ook eenvoudiger om mantelzorgwoningen in de achtertuin te plaatsen, zodat bewoners bijvoorbeeld hun ouders kunnen verzorgen.

Leegstand kantoren

Met de nieuwe regels kunnen gemeenten straks eenvoudiger en sneller aanvragen afwikkelen voor vergunningen die in strijd zijn met het bestemmingsplan binnen bestaande gebouwen. Ook geldt dat voor tijdelijke afwijkingen tot een duur van 10 jaar. Het gaat dan bijvoorbeeld om noodwinkels of noodscholen. Deze maatregel betekent een jaarlijkse besparing op administratieve lasten van 0,65 miljoen euro. Met de nieuwe regels kunnen leegstaande kantoorgebouwen ook eenvoudiger een andere maatschappelijk gewenste functie krijgen. Kantoren kunnen op die manier sneller worden omgebouwd tot bijvoorbeeld studentenflats of (senioren)woningen. Blok: “Een vlotte transformatie kan helpen om zowel het tekort aan woningen als het overschot aan kantoren aan te pakken.”

Omgevingswet

De nieuwe regels zijn tot stand gekomen in goed overleg met onder meer de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de Vereniging bouw- en woningtoezicht Nederland. Met de wijzigingen wordt een groot aantal gemeentelijke wensen gerealiseerd. De maatregelen zijn een voorloper van de nieuwe Omgevingswet, die 24 afzonderlijke wetten moet vervangen, zoals de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer, de Waterwet en de Monumentenwet 1988.

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Nieuwe regeling maakt bundelen van overheidsbesluiten eenvoudiger

Minister Opstelten komt met een nieuwe regeling voor het bundelen van met elkaar samenhangende besluiten die nodig zijn om een bepaalde activiteit te kunnen ondernemen. Een voorbeeld van een activiteit waarvoor de regeling bruikbaar kan zijn is het oprichten van een café, waarvoor nu nog verschillende soorten vergunningen van verschillende bestuursorganen nodig zijn.

Bestuursorganen die deze besluiten moeten nemen kunnen dat straks tegelijkertijd volgens dezelfde procedure doen, onder regie van een coördinerend bestuursorgaan. De nieuwe regeling, die in de Algemene wet bestuursrecht komt te staan, is duidelijker voor de betrokken burgers, bedrijven en overheden en realiseert meer samenhang in besluitvorming. Dit verhoogt de inzichtelijkheid, de kwaliteit en de snelheid van besluitvormingstrajecten.

Documenten en publicaties

  • Coördinatieregeling Algemene wet bestuursrecht – consultatieversie juni 2014

    Publicatie | 09-07-2014

Bron: Ministerie van Justitie

Kabinet maakt bestuursrechtspraak overzichtelijker en eenduidiger

Er komt een strikte scheiding tussen de adviserende en de rechtsprekende taken van de Raad van State. Ook wordt het aantal colleges dat in hoogste instantie bestuurszaken behandelt, teruggebracht van 3 naar 1. Met deze maatregelen wil het kabinet de organisatie van de bestuursrechtspraak overzichtelijker maken en meer eenheid aanbrengen in bestuursrechtelijke uitspraken.

Dit staat in de brief die ministers Plasterk van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Opstelten van Veiligheid en Justitie (VenJ) hierover vandaag naar de Tweede en Eerste Kamer hebben gestuurd.

Tot de maatregelen die het kabinet neemt om de advisering strikter te scheiden van de rechtspraak behoort het einde van de zogeheten dubbelbenoemingen van leden van de Raad van State: rechters in de Raad van State mogen niet langer tegelijkertijd een adviserende functie uitoefenen. Ook wordt wettelijk vastgelegd dat de vicepresident en de Raad van State geen bemoeienis mogen hebben met het proces en de inhoud van de rechtspraak. Rechtspositionele bevoegdheden van rechters komen te liggen bij de Afdeling bestuursrechtspraak of de voorzitter daarvan. In de begroting zal een uitsplitsing worden gemaakt van de kosten van beide taken. Tot slot zal de scheiding tussen advisering en rechtspraak zichtbaar zijn in de presentatie naar het publiek.

In 2010 was al een verregaande scheiding doorgevoerd tussen de adviserende en de rechtsprekende taak van de Raad van State, toen de taken in aparte afdelingen werden ondergebracht en het maximale aantal dubbelbenoemingen op 10 werd gesteld. Deze aanvullende maatregelen moeten de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak verder versterken.

Het kabinet wil verder het stelsel van de bestuursrechtspraak vereenvoudigen, die nu in hoogste instantie is verdeeld over verschillende colleges. De Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven worden opgeheven. Zaken die nu thuishoren bij de Centrale Raad van Beroep zullen worden behandeld door de 4 gerechtshoven. Zaken voor rekening van het College van Beroep voor het bedrijfsleven zullen worden behandeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij deze keuze hebben de aard en inhoud van de verschillende soorten geschillen de doorslag gegeven. Hiermee wordt het aantal hoogste bestuursrechters teruggebracht van 3 naar 1.

Het kabinet kiest er nadrukkelijk niet voor een einde te maken aan de rechtsprekende taak van de Raad van State. Dit zou tot aanzienlijk hogere maatschappelijke kosten leiden, omdat de rechtspraak bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich kenmerkt door relatief korte doorlooptijden en omdat de Afdeling bestuursrechtspraak vertrouwd is met de behandeling van zeer verschillende soorten zaken.

De voorgenomen maatregelen vloeien voort uit het regeerakkoord. De ministers komen dit jaar met een wetsvoorstel waarin deze maatregelen zijn uitgewerkt.

Bron: Ministerie van Justitie

Omgevingswet: betere wetgeving, minder regels, meer ruimte

In 1810 werd in Nederland de Mijnwet van kracht: de eerste wet gericht op de leefomgeving. Sinds die tijd zijn er tientallen sectorale wetten bijgekomen zoals de wet op de ruimtelijke ordening, de waterwet, de milieuwet en de wet op de monumentenzorg. Deze wetten zijn om belangrijke redenen tot stand gekomen, maar met hun verschillende procedures en vergunningen is het nu haast onmogelijk om goede initiatieven van de grond te krijgen. Minister Schultz van Haegen van Infrastructuur en Milieu heeft op dinsdag 17 juni het wetsvoorstel ‘Omgevingswet’ naar de Tweede Kamer gestuurd. Een nieuwe wet, die gaat over alle fysieke plannen waarmee ons land wordt gemaakt. Deze wet bundelt alle wetten en regels op het gebied van de leefomgeving. Geen 26 wetten meer, maar 1.

Minister Schultz: “De Omgevingswet past bij deze tijd: het maakt complexe en verbrokkelde regelgeving eenvoudiger. Het geeft ook ruimte aan regionale verschillen, voor innovatie en voor eigen initiatief. De totstandkoming van de Omgevingswet is de grootste wetgevingsoperatie sinds de vernieuwing van de grondwet in 1848. Met deze wet zetten we ons samen met alle betrokken partijen in voor een veilige en gezonde leefomgeving, met ruimte voor nieuwe ontwikkelingen.”

Meer snelheid, minder kosten

Dankzij de Omgevingswet moet het verkrijgen van een vergunning straks sneller en eenvoudiger verlopen. Zoals bijvoorbeeld het uitbreiden van een school op een locatie waar vooral wordt gewoond, waar bomen moeten worden gekapt en waar extra uitritten nodig zijn. Onder de huidige regelgeving zijn 3 omgevingsvergunningen nodig met een proceduretijd van een half jaar. Onder de Omgevingswet wordt dat 1 omgevingsvergunning, met een proceduretijd van slechts 8 weken. Of als een gemeente haar beleid wijzigt voor bijvoorbeeld alle scholen, alle horeca of alle woonboten binnen haar grondgebied, moet zij nu alle bestemmingsplannen met die functies aanpassen. Straks heeft de gemeente 1 omgevingsplan voor haar hele grondgebied en kan zij die aanpassing in 1 keer doen. Zeer efficiënt en het scheelt veel bestuurlijke lasten.

Maatwerk

De Omgevingswet houdt straks rekening met regionale verschillen, zoals stedelijke groei en bevolkingskrimp. Provincies en gemeenten moet ruimte krijgen voor flexibiliteit en eigen afwegingen. Een belangrijk element in het wetsvoorstel is de betrokkenheid van burgers en bedrijven bij besluitvorming over plannen, visies en projecten. Degenen die wonen en werken in een gebied kunnen meewerken aan kwalitatief goede besluiten. Ook maakt de wet het mogelijk om beter in te spelen op actuele ontwikkelingen, zoals het aanpakken van leegstand.

Meer vertrouwen, meer flexibiliteit

Het huidige Nederlandse omgevingsrecht staat soms innovatieve en duurzame initiatieven in de weg. De Omgevingswet biedt straks meer ruimte, met onder andere de experimenteerbepaling. Hierdoor kan bijvoorbeeld het burgerinitiatief ‘Ecodorp Boekel’ opgezet worden om op lokale schaal duurzaam te voorzien in de levensbehoeften van de bewoners, en mogen onder meer Heerhugowaard en Hoorn zonder omgevingsvergunning zonnecollectoren plaatsen.

Nu al Eenvoudig Beter!

Met de Omgevingswet wordt het stelsel van ruimtelijke regels volledig herzien. Het vraagt om een heel andere werk- en denkwijze van overheden, burgers en bedrijven. Open, samenhangend, flexibel, uitnodigend en innovatief zijn daarbij de kernwoorden. Hierop vooruitlopend doen overheden nu al ervaring op met de filosofie achter de Omgevingswet, onder de noemer ‘Nu al Eenvoudig Beter’.

Succes door samenwerking

De komende jaren wordt de onderliggende regelgeving vereenvoudigd en verbeterd. Op termijn worden er tevens meer wetten toegevoegd. Onder andere de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en Unie van Waterschappen (Unie) zijn daar nauw bij betrokken. Rijk, VNG, IPO en de Unie spannen zich gezamenlijk in om de individuele gemeenten, provincies en waterschappen zo goed mogelijk te ondersteunen.

Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Aparte procedure schadevergoeding overschrijding redelijke termijn

De Hoge Raad heeft in een onteigeningszaak een beslissing gegeven over de mogelijkheid tot verkrijging van immateriële schadevergoeding wegens een onredelijk lange duur van een civiele procedure.
De hoogste bestuursrechters hadden reeds geoordeeld dat de mogelijkheid bestaat om binnen een lopend bestuursrechtelijk geding immateriële schadevergoeding te verzoeken in verband met een te lange duur daarvan. 
Voor civiele gedingen heeft de Hoge Raad nu beslist dat een dergelijke vergoeding moet worden gevorderd in een afzonderlijke procedure tegen de Staat.

Die procedure kan in bijna alle gevallen worden gevoerd voor dekantonrechter, waar rechtsbijstand niet verplicht is. De Hoge Raad heeft beslist dat voor deze afzonderlijke procedure geen griffierecht mag worden geheven.
De behandeling van de vordering tot immateriële schadevergoeding moet worden aangehouden tot na de einduitspraak in het eigenlijke geschil, dus eventueel tot na het hoger beroep of cassatie, omdat de duur van de gehele procedure voor de beoordeling van belang kan zijn. Aanspraak kan worden gemaakt op een vergoeding van € 500 voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden.
Op de vraag wanneer van zo’n overschrijding sprake is, kan geen algemeen antwoord worden gegeven omdat procedures voor de burgerlijke rechter daarvoor te sterk uiteenlopen. In overeenstemming met de werkwijze van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens zal de rechter moeten oordelen op basis van de omstandigheden van het concrete geval, waaronder de aard en ingewikkeldheid van de procedure en het procedeergedrag van partijen.

In  de zaak waarin de Hoge Raad vandaag uitspraak heeft gedaan, had de rechtbank de aanspraak op schadevergoeding afgewezen omdat niet was gesteld welke immateriële schade was geleden. De Hoge Raad achtte dat onjuist, omdat uitgangspunt moet zijn dat het uitblijven van een rechterlijke beslissing binnen redelijke termijn steeds leidt tot spanning en frustratie, en dus tot immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Het bestaan van die schade hoeft dus niet te worden gesteld. Over de aanspraak kan echter niet in deze procedure worden beslist. Daarvoor moet een afzonderlijke procedure worden begonnen. 

Bron: Rechtspraak.nl

Gemeente aansprakelijk voor schade ivm onjuiste informatieverstrekking door het bedrijvenloket

Gemeente aansprakelijk voor schade die eiser heeft geleden als gevolg van onjuiste informatieverstrekking door het bedrijvenloket van de gemeente, waardoor eiser niet beschikte over een ontheffing voor ondersteunende horeca en hij winst heeft gederfd. Bewijsopdracht aan eiser met betrekking tot het moment waarop de onjuiste informatie aan hem is verstrekt.

ECLI:NL:RBGEL:2014:1553

Deeplink
InstantieRechtbank GelderlandDatum uitspraak29-01-2014Datum publicatie10-03-2014Zaaknummer247027RechtsgebiedenCiviel rechtBijzondere kenmerkenEerste aanleg – enkelvoudigInhoudsindicatie

Gemeente aansprakelijk voor schade die eiser heeft geleden als gevolg van onjuiste informatieverstrekking door het bedrijvenloket van de gemeente, waardoor eiser niet beschikte over een ontheffing voor ondersteunende horeca en hij winst heeft gederfd. Bewijsopdracht aan eiser met betrekking tot het moment waarop de onjuiste informatie aan hem is verstrekt.

VindplaatsenRechtspraak.nl 

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/247027 / HA ZA 13-486

Vonnis van 29 januari 2014

in de zaak van

[eiser]

wonende te [plaats]

eiser

advocaat mr. J.M.E. van der Haar te Nijmegen

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE NIJMEGEN

zetelend te Nijmegen

gedaagde

procesadvocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem

behandelend advocaat mr. T.H. Liebregts te Nijmegen

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente worden genoemd.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 18 september 2013;

  • het verkorte proces-verbaal van comparitie van 11 december 2013.

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

In de periode van oktober 2008 tot 1 januari 2012 heeft [eiser] een afhaalrestaurant geëxploiteerd op de locatie [adres].

2.2.

Uit een ‘activiteitenrapport’ van het bedrijvenloket (BL) van de gemeente van 12 juni 2008 wordt geciteerd:

Nadat [eiser] op 09-06-2008 een intakegesprek met [naam] heeft gehad en daarbij heeft gehoord dat zijn vraag over het gebruik van het pand [adres] zal worden uitgezocht, is hij vandaag weer naar het BL gekomen. (…) [eiser] wil daar een afhaalcentrum (zonder ondersteunende horeca) gaan beginnen en kan daar direct intrekken. (…)

2.3.

In een ongedateerde ‘Verslaglegging van relevante contacten die vanuit het Bedrijvenloket hebben plaatsgevonden met de heer [eiser], [adres]’, kennelijk afkomstig van het bedrijvenloket, is opgenomen:

11-01-2010 tafels en stoelen plaatsen

[eiser] van afhaalcentrum De Tajine vraagt of hij in zijn afhaalzaak 2 a 3 tafels met stoelen mag plaatsen. Hiervoor zou hij een ontheffing ondersteunende horeca nodig hebben. Deze kan echter niet verleend worden omdat binnen 50 mtr een horecabedrijf is gevestigd. Naast zijn zaak zit een cafe! Ik heb [eiser] uitgelegd dat het daarom niet kan. (…)

2.4.

Uit een brief van 1 december 2010 van de gemeente aan [eiser] wordt geciteerd:

In het besluit van 12 november 2008 met kenmerk G230/ET 08.0028898 heeft het college van burgemeester en wethouders u, met toepassing van artikel 5:32 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 125 van de Gemeentewet, een last onder dwangsom opgelegd met het oog op het beëindigen/ongedaan maken van de overtreding van de gebruiksbepalingen uit het bestemmingsplan.

In het genoemde besluit is de volgende last opgenomen:

– (…)

– in de genoemde afhaalzaak mogen geen etenswaren en dranken worden genuttigd.

Bij het voortduren en/of opnieuw plaatsvinden van de overtreding(en) is een dwangsom verschuldigd van € 1.000,- per dag, dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 10.000,-.

Dit is in strijd met de gebruiksvoorschriften uit het geldende bestemmingsplan ‘Nijmegen Midden’ (goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland op 3 oktober 2006, besluitnummer nr. 2006-01129.

Verbeuring 1e dwangsom

Op maandag 29 november 2010, omstreeks 15:30 uur heeft [naam] van de afdeling Stadsontwikkeling, belast met de handhaving op de ruimtelijke regelgeving, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar (…) geconstateerd dat in uw afhaalzaak aan de [adres], werd gegeten. (…)

Hiermee is vastgesteld dat niet is voldaan aan de gestelde last met betrekking tot de genoemde overtreding zoals genoemd in het besluit van 12 november 2008, zodat een eerste bijbehorende dwangsom is verbeurd tot een bedrag van € 1.000,-.

(…)

2.5.

In de ongedateerde ‘Verslaglegging van relevante contacten die vanuit het Bedrijvenloket hebben plaatsgevonden met de heer [eiser], [adres]’ waaruit hiervoor in rechtsoverweging 2.3 is geciteerd, is voorts opgenomen:

11-01-2011 tafels en stoelen plaatsen

[eiser] komt exact een jaar later weer naar bedrijvenloket met de zelfde vraag; d.w.z. hij wil nu niet een paar tafels maar 1 tafel in de zaak zetten waar mensen aan kunnen eten. Of een plank aan de muur bevestigen waar de klanten staand aan kunnen eten. Helaas ondersteunende horeca ontheffing kan niet worden verleend en die is nodig voor het nuttigen van voedsel in de zaak, want binnen 50 mtr ja zelfs direct naast zijn pand zit cafe Septa.

30-06-2011: ondersteunende horeca

[eiser] en zijn begeleider, [naam] willen weten hoe zij de mogelijkheid van ondersteunende horeca moeten aanvragen. Bestemmingsplan: “Nijmegen-Midden”, geeft aan in art. 17 dat OH zondermeer mogelijk is. Wel moet voldaan worden aan de voorwaarden uit het bestemmingsplan. Hij hoeft niets aan te vragen en hoeft ook geen rekening te houden met de oude eis van 50 m t.o.v. andere horeca. Voor wat betreft de boete, neemt hij contact op met het telefoonnummer op de boetebrief.

2.6.

Op 18 juli 2011 heeft de gemeente de dwangsom van € 1.000,- gecrediteerd.

2.7.

Bij brief van 4 augustus 2011 heeft de gemeente aan [eiser] excuses aangeboden omdat zij hem onjuiste informatie had verstrekt over de mogelijkheden van vestiging van een horeca-onderneming op de locatie [adres].

2.8.

Uit een brief van 23 augustus 2011 van de gemeente aan [eiser] wordt geciteerd:

In het besluit van 12 november 2008 met kenmerk G230/ET 08.0028898 heeft het college van burgemeester en wethouders u (…) een last onder dwangsom opgelegd met het oog op het beëindigen/ongedaan maken van de overtreding van de gebruiksbepalingen uit het bestemmingsplan.

(…)

Inmiddels is duidelijk geworden dat, met inachtneming van de gestelde voorwaarden voor ‘ondersteunende horeca’, er met het (laten) nuttigen van etenswaren in uw afhaalzaak geen sprake was van een overtreding van de gebruiksbepalingen uit het bestemmingsplan. (…)

Gedeeltelijk intrekken dwangsombesluit

Gelet op het vorenstaande besluiten wij de volgende in de dwangsombeschikking van 12 november 2008 met kenmerk G230/ET 08.0028898 opgenomen last in te trekken:
“Dit betekent dat in genoemde afhaalzaak geen etenswaren en dranken genuttigd mogen worden.”

2.9.

Bij brief van 29 december 2011 van zijn advocaat aan de gemeente heeft [eiser] aanspraak gemaakt op € 204.400,- schadevergoeding. Bij brief van 23 maart 2012 heeft de gemeente deze aanspraak van de hand gewezen.

2.10.

Bij brief van 18 april 2012, verzonden 24 april 2012, heeft de klachtenbehandelaar van de gemeente aan de advocaat van [eiser] bericht dat hij de klacht van [eiser] over ‘onzorgvuldige informatieverstrekking over de toepassing van de 50 meter regeling bij de vestiging van ondersteunende horeca op het adres [adres]’ gegrond verklaart. Daarbij is overwogen dat het Bedrijvenloket door gebrekkige interne communicatie niet beschikte over de juiste informatie. De klacht dat [eiser] is gediscrimineerd, is ongegrond verklaard.

3Het geschil en de beoordeling

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente veroordeelt tot betaling aan hem van een schadevergoeding van € 89.100,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 december 2011 met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Hij stelt dat hij de locatie aan de [adres] heeft gehuurd, dat hij zich vervolgens tot de gemeente heeft gewend om een exploitatievergunning te verkrijgen, dat hij bij het bedrijvenloket te horen heeft gekregen dat hij in de locatie uitsluitend een afhaalrestaurant zonder ondersteunende horeca zou mogen exploiteren, en dat hij op basis van die informatie daarvoor een vergunning heeft aangevraagd. De van de gemeente verkregen informatie is evenwel onjuist gebleken. [eiser] betoogt dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem deze onjuiste informatie te verstrekken. Hij stelt dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden, waarvoor hij de gemeente aansprakelijk houdt. De schade waarvan [eiser] vergoeding vordert, ziet op ten onrechte gemaakte inrichtingskosten en gederfde omzet in de periode van oktober 2008 (toen het restaurant openging) tot 18 juli 2011 (toen de gemeente de dwangsom crediteerde), waarop kosten in mindering moeten worden gebracht.

3.3.

De gemeente betwist de vordering gemotiveerd. Zij voert daartoe aan dat [eiser] een vergunning voor een afhaalrestaurant zonder ondersteunende horeca heeft aangevraagd en heeft verkregen. Zij betwist dat het bedrijvenloket [eiser] voorafgaande aan die aanvraag onjuiste informatie heeft verstrekt over de exploitatiemogelijkheden. Wel erkent zij dat het bedrijvenloket nadien onjuiste informatie heeft verstrekt, maar dat is gebeurd naar aanleiding van informele verzoeken en de informatie kan niet worden beschouwd als een besluit van de gemeente. De gemeente betoogt dat deze mededelingen gezien de samenhang met de verleende vergunning geen zelfstandig effect hebben. Voorts betwist de gemeente de hoogte van de gevorderde schadevergoeding.

3.4.

Uit hetgeen de partijen over en weer hebben gesteld, meer in het bijzonder ter comparitie, leidt de rechtbank af dat [eiser] geen aanvrage heeft gedaan voor een exploitatievergunning voor een restaurant noch voor een afhaalrestaurant met een ontheffing voor ondersteunende horeca maar uitsluitend voor een afhaalrestaurant, en voorts dat [eiser] overeenkomstig die aanvrage een exploitatievergunning heeft verkregen. Het lag daarom niet in de rede dat [eiser] bestuursrechtelijk tegen deze vergunningverlening zou opkomen.

3.5.

De mondeling door het bedrijvenloket verstrekte informatie is geen besluit in de zin van artikel 1:3 AWB en draagt een zelfstandig karakter naast de vergunningverlening. Deze informatie had immers betrekking op de vraag of [eiser] in aanmerking kwam voor een ontheffing voor ondersteunende horeca, terwijl de vergunning, gezien de aanvrage, daar niet op zag. De informatieverstrekking is dus niet gedekt door de formele rechtskracht van de exploitatievergunning, noch in het geval het bedrijvenloket voorafgaande aan de vergunningverlening onjuiste informatie heeft verstrekt, noch in het geval het dat nadien heeft gedaan. In het eerste geval kan die onjuiste informatie er immers toe hebben geleid dat [eiser] niet direct bij zijn vergunningaanvraag voor een afhaalrestaurant ontheffing voor ondersteunende horeca heeft aangevraagd, in het laatste geval dat [eiser] dat niet nadien alsnog heeft gedaan. De conclusie is dat de formele rechtskracht van de vergunning niet aan toewijzing van de onderhavige vordering in de weg staat.

3.6.

De gemeente heeft erkend dat zij informatie aan [eiser] heeft verstrekt die onjuist is gebleken. Niet in geschil is dat [eiser] erop heeft vertrouwd en heeft mogen vertrouwen dat de verstrekte informatie juist was. Aldus heeft de gemeente onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. Het is voldoende aannemelijk dat [eiser] een hogere omzet en meer winst had kunnen behalen als hij een ontheffing voor ondersteunende horeca had gehad en zijn afhaalrestaurant dienovereenkomstig had ingericht. De gemeente is daarom gehouden de schade te vergoeden die [eiser] als gevolg van de verstrekking van onjuiste informatie door het bedrijvenloket heeft geleden.

3.7.

Voor het begroten van de schade is van belang wanneer het bedrijvenloket voor het eerst onjuiste informatie heeft verstrekt. De periode waarin [eiser] als gevolg van die onjuiste informatie omzet en winst heeft gederfd, neemt immers vanaf dat moment een aanvang. [eiser] beroept zich op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat hij in de zomer van 2008 van het bedrijvenloket heeft vernomen dat hij niet in aanmerking kwam voor een ontheffing voor ondersteunende horeca. De bewijslast van deze door de gemeente betwiste stelling rust dus op hem. Hij zal worden toegelaten tot het bewijs.

3.8.

De stellingen van [eiser] over door hem geleden schade zijn mede gezien hetgeen de gemeente daar tegenin heeft gebracht onvoldoende als basis voor een begroting of schatting van de schade. De rechtbank is daarom voornemens zodra op basis van bewijslevering de schadeperiode is vastgesteld een deskundige te benoemen om haar voor te lichten over de schade die [eiser] kan hebben geleden en deze deskundige de volgende vragen voor te leggen:

  1. Hoeveel tafels en stoelen had [eiser] in zijn afhaalrestaurant kunnen plaatsen als hij had beschikt over een ontheffing voor ondersteunende horeca en zijn afhaalrestaurant daarop had ingericht?

  2. Hoe groot was de omzet van [eiser] over de periode van (oktober 2008 dan wel een later moment) tot 18 juli 2011?

  3. Hoeveel groter had zijn omzet kunnen zijn als hij gedurende die periode die tafels en stoelen had geplaatst?

  4. Welke winst heeft [eiser] gederfd doordat hij deze tafels en stoelen niet heeft geplaatst?

3.9.

Het voorschot op de kosten van de deskundige zal moeten worden gestort door [eiser] (artikel 195 Rv). Van de partijen wordt verwacht dat zij bij conclusie na bewijslevering zich uitlaten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht en de te stellen vragen. Voorts wordt van hen verwacht dat zij na overleg met elkaar een deskundige voorstellen aan wie de opdracht kan worden gegeven. In het geval een van beide partijen bezwaar heeft tegen een door de ander voorgestelde deskundige, dient dat bezwaar te worden toegelicht.

3.10.

Gezien de kosten in tijd en geld van bewijslevering en rapportage door een deskundige en de verhouding tussen die kosten en de omvang van een in deze procedure mogelijk toe te wijzen schadevergoeding, geeft de rechtbank partijen in overweging thans met elkaar in overleg te treden en tot overeenstemming te komen. Daarbij zou als uitgangspunt kunnen gelden het hier gegeven oordeel dat de gemeente gehouden is tot vergoeding van schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de verstrekking van onjuiste informatie door het bedrijvenloket, bestaande uit de gederfde winst (dus niet omzet) van [eiser] over de periode vanaf de eerste verstrekking van onjuiste informatie tot 18 juli 2011 en ten onrechte door [eiser] gemaakte kosten in het geval dat de gemeente hem onjuiste informatie heeft verstrekt voordat hij deze kosten maakte.

3.11.

Alle beslissingen worden aangehouden.

4De beslissing

De rechtbank

4.1.

draagt [eiser] op te bewijzen dat hij in de zomer van 2008 van het bedrijvenloket van de gemeente heeft vernomen dat hij niet in aanmerking kwam voor een ontheffing voor ondersteunende horeca op de locatie [adres],

4.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 februari 2014 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

4.3.

bepaalt dat [eiser], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

4.4.

bepaalt dat [eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op woensdagen in de maanden maart tot en met mei 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

4.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. R.J.J. van Acht in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 – 4,

4.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

4.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2014.

coll.: CLB

Bron: Rechtspraak.nl