Volledig cursusgeld verschuldigd bij annulering?

Bij de beoordeling van de vraag of een annuleringsbeding in een overeenkomst van opdracht onredelijk bezwarend is, kan – ook wanneer dit artikel niet rechtstreeks van toepassing is – aansluiting worden gezocht bij art. 7:411 BW.

De onderhavige zaak draaide om een geschil tussen een aanbieder van een particuliere Mbo-opleiding en een na drie maanden gestopte cursist. In de tussen de opleiding en de cursist gesloten cursusovereenkomst was een regeling neergelegd die de cursist verplichtte om, ook bij vroegtijdige beëindiging van de cursus, het volledige bedrag aan cursusgeld te betalen.

In 2014 oordeelde het gerechtshof Den Haag dat deze annuleringsregeling binnen de werkingssfeer van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten viel, als onredelijk bezwarend moest worden aangemerkt (art. 6:233(a) BW), en daarmee oneerlijk was in de zin van de Richtlijn.  Daarbij ging het hof uit van het oordeel van de kantonrechter (nu daartegen niet was gegriefd) dat de betreffende overeenkomst kon worden beschouwd als overeenkomst van opdracht in de zin van art. 7:400 BW, en dat daarom voor de gevolgen van de opzegging aansluiting diende te worden gezocht bij art. 7:411 BW. Laatstgenoemd artikel bepaalt kort gezegd op welk loon een opdrachtnemer recht heeft in gevallen waarin een overeenkomst eindigt voordat een opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend is verstreken.

In cassatie keert de aanbieder van de Mbo-opleiding zich tegen dit oordeel. Gewezen wordt op het feit dat voor toepassing van art. 7:411 BW vereist is dat de verschuldigdheid van loon – in dit geval cursusgeld – afhankelijk is van de volbrenging van een opdracht of van het verstrijken van de tijd waarvoor de opdracht is verleend. In het onderliggende geval zou daarvan geen sprake zijn, omdat de cursist had moeten begrijpen dat bij de enkele aanmelding voor de opleiding de verplichting ontstond  om – ook bij vroegtijdige beëindiging van de cursus – het volledige cursusgeld te betalen. De Hoge Raad wijst deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag af. Het hof oordeelde immers niet dat art. 7:411BW rechtstreeks van toepassing was, maar zocht bij dit artikel slechts aansluiting. Daarmee gaf het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting:

“3.3.3. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag dat het hof niet heeft geoordeeld dat art. 7:411 BW (rechtstreeks) toepasselijk is. Het hof heeft bij de beantwoording van de vraag of het annuleringsbeding ten nadele van de consument een “aanzienlijke verstoring van het evenwicht” tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, aansluiting gezocht bij deze wetsbepaling en is vervolgens tot het oordeel gekomen dat het annuleringsbeding in de verhouding tussen [verweerder] en Tio onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW. Nu het hof de tussen partijen gesloten overeenkomst als een overeenkomst van opdracht in de zin van art. 7:400 lid 1 BW heeft aangemerkt, hetgeen in cassatie terecht niet wordt bestreden, en [verweerder] als opdrachtgever ingevolge art. 7:413 lid 2 BW in verbinding met art. 7:408 lid 3 BW het recht had de overeenkomst op te zeggen, geeft het oordeel van het hof om aansluiting te zoeken bij art. 7:411 BW geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. In zoverre faalt de klacht dus.”

Blijkens de conclusie van Advocaat-generaal Wissink (§ 2.8) is er in de feitenrechtspraak discussie (geweest) over de vraag of overeenkomsten als die in deze zaak als overeenkomst van opdracht kunnen worden aangemerkt. Nu de Hoge Raad overweegt dat partijen terecht niet het oordeel van het hof hebben bestreden dat de tussen hen gesloten overeenkomst als een overeenkomst van opdracht moet worden aangemerkt, is dat voor overeenkomsten als hier aan de orde kennelijk het geval.

Bron: Cassatieblog

Opstelten maakt collectieve schadevergoedingsactie mogelijk

Consumenten en bedrijven kunnen straks makkelijker hun schade collectief verhalen. Een collectieve schadevergoedingsactie in geld, die minister Opstelten (Veiligheid en Justitie) voorstelt, moet dat mogelijk maken. Representatieve belangenorganisaties kunnen straks naar de rechter stappen om namens een groep gedupeerden een schadevergoeding te vorderen. Dit blijkt uit een wetsvoorstel dat recent naar verschillende adviesinstanties is verzonden.

De collectieve schadevergoedingsactie biedt vooral uitkomst als partijen niet bereid zijn in onderhandeling te treden om de schade collectief af te wikkelen, of er niet in slagen te schikken. De rechter en eventueel een mediator staan partijen bij. Mocht het niet lukken, dan stelt de rechter zelf een regeling voor een collectieve schadeafwikkeling vast.

Op dit moment kunnen gedupeerden slechts een collectieve actie instellen om de rechter te vragen of de veroorzaker van de schade aansprakelijk is. De rechter kan echter niet bepalen of en, zo ja, hoeveel schadevergoeding aan de groep gedupeerden moet worden toegekend. Bovendien hebben gedupeerden geen ‘stok achter de deur’ om de veroorzaker van de schade te dwingen om mee te werken, als het op betaling van schadevergoeding aankomt. Het gevolg is dat juridische procedures soms jaren duren.

Collectieve acties kunnen een veelvoud aan individuele acties voorkomen. Bovendien kunnen gedupeerden die geen tijd of geld hebben langs deze weg hun schade toch vergoed krijgen. De procedure kan worden ingezet voor de afwikkeling van alle soorten schade.

De behoefte aan een collectieve afwikkeling van massaschade is de afgelopen jaren toegenomen, ook in Nederland. Zo nemen consumenten en bedrijven steeds meer gestandaardiseerde producten en diensten af, die onder algemene voorwaarden worden verkocht. Dit betekent dat identieke problemen ontstaan wanneer de verkoper tekortschiet. Als bepaalde goederen of diensten gebrekkig blijken te zijn, kunnen dus meerdere kopers daardoor schade lijden.

De regeling voert de motie Dijksma uit, waarin de regering wordt verzocht “te komen tot de toekenning van een recht voor representatieve belangenorganisaties om schade collectief te verhalen”. Doel is een effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen en een ongewenste claimcultuur te voorkomen. Dat vereist een juiste balans tussen het belang van gedupeerden om hun recht te halen en het belang van een aangesproken partij om te worden beschermd tegen ongefundeerde of lichtvaardige massaclaims. Hiervoor heeft Opstelten allerlei waarborgen in het wetsvoorstel opgenomen.

Zo hoeft in de procedure niet van alle gedupeerden individueel de schade te worden vastgesteld. Verder kunnen representatieve belangenorganisaties niet zomaar aan de slag om gedupeerden bij te staan. Zij moeten bijvoorbeeld eerst nagaan of er geen andere mogelijkheden zijn om de schade vergoed te krijgen. Ook moet de organisatie voldoende expertise in huis hebben en de financiën op orde hebben. Als de rechter twijfelt over de belangenbehartiging, kan hij de organisatie niet-ontvankelijk verklaren. Bovendien moet de groep gedupeerden groot genoeg zijn.

De eerste en belangrijkste waarborg om misbruik te voorkomen is dat de procedure inzet op een schikking en op een collectieve schadeafwikkeling, met behulp van schadecategorieёn die partijen zelf voorstellen. Dit voorkomt een eindeloos gevecht over individuele schadevaststelling. Verder staat een collectieve schadevergoedingsactie alleen open voor zaken die een voldoende nauwe band hebben met de Nederlandse rechtssfeer, internationaal ook wel de scope rule genoemd. Daarmee wil Opstelten aanzuigende werking tegengaan. De invoering van de procedure mag de rechterlijke macht en het Nederlandse vestigingsklimaat niet belasten, aldus de bewindsman. De scope rule geeft de rechter de mogelijkheid zaken niet in behandeling te nemen. Het enkele feit dat een belangenorganisatie in Nederland is gevestigd, is niet voldoende om een procedure te beginnen.

Een andere waarborg is dat alle collectieve schadevergoedingsacties worden ondergebracht bij 1 gespecialiseerde rechter. Zo kan deze rechtbank expertise opbouwen en worden problemen bij de coördinatie van verschillende zaken vermeden. De bewindsman verwacht overigens dat – gelet op de waarborgen – het aantal zaken beperkt zal blijven. Het wetsvoorstel biedt in zijn ogen voldoende checks and balances om een drempel op te werpen tegen langdurige en kostbare procedures. De nieuwe regeling bevat elementen die aansluiten bij andere landen in Europa die een collectieve schadevergoedingsactie kennen, zoals Engeland en Wales, Duitsland, België, Frankrijk en Portugal, maar is uniek in het uitgangspunt van een collectieve schikking.

Bron: Ministerie van Justitie

Meer bedenktijd voor consumenten

Consumenten krijgen vanaf vrijdag 13 juni 2014 meer bedenktijd bij aankopen op internet, via de telefoon en aan de deur. Voor aankopen aan de deur van meer dan € 50 en voor alle online aankopen gaat de bedenktijd van 1 naar 2 weken.

Kosteloos afzien van aankoop

Binnen die termijn kunnen consumenten kosteloos afzien van hun aankoop. Wanneer de consument iets over de telefoon koopt, geldt de overeenkomst voortaan pas wanneer deze schriftelijk of per email is bevestigd. Dit geldt bijvoorbeeld voor de levering van elektriciteit, gas en telefoonabonnementen.

Begrenzing tarief bellen 0900-nummer

Naast meer bedenktijd worden consumenten vanaf nu ook beter beschermd bij het bellen naar 0900-nummers. Zo wordt het tarief voor bellen begrensd op € 1 per gesprek bovenop de normale kosten. Dat kon tot nu toe oplopen tot 80 cent per minuut.

Nieuwe consumentenrechten voor hele Europese Unie

De nieuwe consumentenrechten gelden voor de hele Europese Unie en zijn het resultaat van invoering van de nieuwe Europese richtlijn consumentenrechten. Toezichthouder ACM gaat consumenten actief wijzen op hun nieuwe rechten via ConsuWijzer.nl.

Bron: Ministerie van Justitie

Nieuwe Europese regels voor consumentenrechten vanaf juni 2014

Nederlandse consumenten kunnen binnenkort profiteren van nieuwe Europese regels voor consumentenrechten. De Europese richtlijn zorgt ervoor dat consumenten in de hele Europese Unie op een aantal gebieden dezelfde rechten krijgen, met name met betrekking tot online winkelen en verkoop aan de deur en op straat (colportage). Dat is nu niet zo: in de diverse lidstaten lopen de regels voor consumenten uiteen. Ondernemers moeten zich aan de nieuwe regels houden vanaf 13 juni 2014.

Voordelen voor consumenten

  • De termijn waarbinnen je af kunt zien van een online aankoop is straks hetzelfde in alle landen van de EU. Consumenten krijgen standaard 14 dagen de tijd om zonder opgave van redenen alsnog van de koop af te zien. Deze termijn bedraagt momenteel 7 werkdagen, hoewel bij Thuiswinkel en Stichting Webshop Keurmerk aangesloten winkels, die met de Consumentenbond afgesproken algemene voorwaarden hanteren, al een termijn van 14 dagen hanteren. Als de verkoper niet aan zijn informatieverplichtingen heeft voldaan, geldt er zelfs een periode van maximaal 1 jaar.
  • Er komt een modelformulier, dat gebruikt kan worden door consumenten die gebruik willen maken van hun herroepingsrecht.
  • Als consumenten de kosten voor het terugsturen van producten moeten betalen, dan moeten zij hierover vooraf zijn geïnformeerd.
  • De bedenktermijn begint pas te lopen op het moment dat de consumenten alle producten uit een bestelling heeft ontvangen. Het risico voor beschadiging en verlies gaat pas over op de koper na ontvangst van het product.
  • Er komt meer transparantie over prijzen. De verkoper moet de consument duidelijkheid bieden over o.a. over de contractsduur en de eventuele bijkomende kosten. Verborgen kosten op internet worden verboden. Consumenten moeten expliciet bevestigen dat zij begrijpen dat zij ergens voor moeten betalen.

Verbod op stilzwijgende instemming

  • Er komt een einde aan de ‘stilzwijgende instemming’ voor aanvullende diensten of aankopen. Als bijvoorbeeld aanvullende diensten worden aangeboden tijdens het plaatsen van een online bestelling (zoals een reisverzekering tijdens het kopen van een vliegticket) dan mag de consumenten niet worden gedwongen het vinkje daarvoor in een tick box te laten staan als hij de extra dienst niet wenst af te nemen.
  • Er moet sprake zijn van een duidelijke instemming met het aanbod, bijvoorbeeld door een (elektronische) handtekening of het intypen van de woorden ‘ik ga ermee akkoord’.
  • De overeenkomsten tot het geregeld verrichten van diensten die telefonisch zijn aangegaan, zijn voortaan pas geldig als de ze door de consument schriftelijk of via de e-mail zijn bevestigd. Voorbeelden zijn: levering van elektriciteit, water en gas, maar bijvoorbeeld ook mobiele telefonie.

Aankoop digitale producten

  • Consumenten worden beter beschermd met betrekking tot digitale producten. Er moet vooraf duidelijke informatie worden verstrekt bij de aankoop van of toegang tot digitale inhoud, bijvoorbeeld muziek- en videodiensten. Zo moet er duidelijke informatie worden verstrekt over bijvoorbeeld de comptabiliteit van hardware en software , beveiligingsvoorzieningen en op welke media de diensten gebruikt kunnen worden.
  • De consument kan binnen 14 dagen van de koop afzien.

Vernietigbaarheid na oneerlijke handelspraktijk

  • Een overeenkomst die als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand komt, is vernietigbaar.

Bron: Consumentenbond

Digitaal contracteren: een casus

Een consument sluit via de website van een energiemaatschappij een contract voor de levering van energie. Hij is akkoord gegaan met de algemene voorwaarden. De aanmelding is per post bevestigd. Het bedrijf stelt zich dan ook op het standpunt een overeenkomst te hebben gesloten. De nota’s blijven echter onbetaald en de consument betwist de vordering met succes – omdat er geen aanvaardingsverklaring via elektronische weg is verzonden.

 

ECLI:NL:RBOVE:2014:91

InstantieRechtbank OverijsselDatum uitspraak14-01-2014Datum publicatie15-01-2014Zaaknummer2281956 CV Expl 13-3738RechtsgebiedenVerbintenissenrechtBijzondere kenmerkenEerste aanleg – enkelvoudigInhoudsindicatie

Elektronisch contracteren aangaande levering van energie. Schending van de in artikel 6:227c lid 2 BW neergelegde verplichting om de aanvaardingsverklaring via elektronische weg te verzenden, leidt ertoe dat de energieleverancier er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat gedaagde haar contractuele wederpartij was. Het succesvol uitvoeren van een automatische incasso van de bankrekening van gedaagde is geen toedoen waar alsnog gerechtvaardigd vertrouwen op kan worden gebaseerd.

VindplaatsenRechtspraak.nl 
Prg. 2014/75 

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer : 2281956 CV Expl 13-3738

datum : 14 januari 2014

Vonnis in de zaak van:

[jw.datum.uitspraak][jw.zaaknummer]

de besloten vennootschap

DE NEDERLANDSE ENERGIEMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eisende partij,

gemachtigden Flanderijn en Van Eck, gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats 1],

gedaagde partij,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna NLE respectievelijk [gedaagde] genoemd.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

– de dagvaarding van 16 augustus 2013

– het antwoord van de gedaagde partij

– de nadere toelichting van partijen.

Het geschil

NLE vordert betaling door [gedaagde] van een eindafrekening voor geleverde energie. [gedaagde] betwist de vordering.

De beoordeling

1.

NLE stelt dat zij op 31 december 2011 een contract met [gedaagde] heeft gesloten voor energielevering op het adres [adres] te[plaats 2], doordat zij, [gedaagde], op die datum zich voor levering heeft aangemeld op de website van NLE. Bij deze aanmelding is [gedaagde] uitdrukkelijk akkoord gegaan met het door haar gekozen energiecontract en met de daarop toepasselijke voorwaarden. Daarop heeft NLE de aanmelding enkele dagen later per post in een brief, geadresseerd aan het eerdergenoemde adres in [plaats 2], bevestigd.

Vervolgens is NLE gestart met de levering van energie. Zij heeft tweemaal de verschuldigde kosten via automatische incasso van de rekening van [gedaagde] kunnen innen; daarna zijn de automatische incasso’s steeds gestorneerd. Omdat betaling uitbleef, heeft NLE de levering van energie aan het opgegeven adres met ingang van 24 september 2012 gestaakt. NLE heeft facturen en aanmaningen gezonden aan het adres [adres] in [plaats 2], maar daarop geen reactie verkregen. Eerst in het begin van 2013 heeft NLE vernomen dat [gedaagde] vanaf 3 oktober 2012 ingeschreven staat in het GBA te [plaats 1]. Zij heeft op 4 februari 2013 een mail gezonden aan het e-mailadres dat [gedaagde] bij de aanmelding op 31 december 2011 had opgegeven en daarop heeft zij –voor het eerst- een reactie van [gedaagde] gekregen.

2.

[gedaagde] geeft in haar verweer een andere voorstelling van zaken. Zij betwist zich ooit te hebben aangemeld bij NLE voor de levering van energie op het adres [adres] (of enig ander adres) en dat al helemaal niet te hebben gedaan op 31 december 2011, omdat zij juist in die maand de woning op dat adres metterwoon heeft verlaten om bij haar nieuwe vriend in [plaats 3] te gaan wonen. Zij heeft verzuimd zich uit te schrijven uit [plaats 2] en in te schrijven in [plaats 3]. Zij vermoedt dat haar vorige partner, met wie zij in [plaats 2] op het genoemde adres heeft samengewoond, haar naam en rekeningnummer heeft gebruikt om de overeenkomst met NLE aan te gaan. Omdat zij niet meer aan de [adres] woonde, heeft zij de correspondentie van NLE (bevestigingsbrief, facturen en aanmaningen), die alle naar dat adres zijn verstuurd, niet ontvangen. Zij heeft eerst van deze kwestie gehoord door het bericht in haar mailbox van 4 februari 2013 en daar heeft zij onmiddellijk op gereageerd.

3.

Aldus is in deze zaak aan de orde of [gedaagde] wel de contractspartner van NLE is. Ook bij elektronische overeenkomsten als de overeenkomst in geschil moet de identiteit van partijen met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld. Een elektronische overeenkomst komt doorgaans tot stand zonder dat partijen elkaar hebben gezien of zelfs hebben gesproken. Zonder de controle die uitgaat van direct fysiek contact, is er in het algemeen meer ruimte voor misbruik.

4.

Daarbij komt de vraag aan de orde wie de bewijslast draagt van de totstandkoming van de overeenkomst tussen NLE en [gedaagde].

Naar het oordeel van de kantonrechter moet ook in dit geval de gewone regel van artikel 150 Rv worden gevolgd en moet de bewijslast bij NLE worden gelegd. Het verweer van [gedaagde] is immers geen bevrijdend verweer waarvan zij de bewijslast draagt, maar is een gemotiveerde betwisting van de stellingen van NLE.

Voor de totstandkoming van een overeenkomst blijft ook in de elektronische variant het uitgangspunt dat daarvoor de wil tot aanvaarding van een aanbod nodig is, welke wil zich door een verklaring moet hebben geopenbaard. In dit geval is er wel sprake van een dergelijke verklaring (de aanmelding van 31 december 2011) maar staat niet vast dat deze afkomstig is van [gedaagde]. De beschouwingen in de stukken van de kant van NLE over de rechten en de plichten van de contractant mogen juist zijn, maar leiden niet tot een antwoord op de voorliggende vraag naar de identiteit van degene die het aanbod van NLE heeft aanvaard en daarmee de contractant is geworden. Omdat NLE niet of nauwelijks ingaat op deze kwestie, beoordeelt de kantonrechter het bewijsaanbod van NLE als te algemeen en niet gericht op het bewijs van de identiteit van haar wederpartij. Daarom wordt het aanbod gepasseerd.

4.1.

Daar komt nog bij dat het uit de aard van de wijze van totstandkoming van de elektronische overeenkomst niet eenvoudig is voor de dienstverlener om te bewijzen dat zij juist met deze of gene klant zaken heeft gedaan. In het kader van het verkrijgen van zoveel mogelijk zekerheid omtrent de identiteit van partijen heeft de wetgever een procedurele waarborg ingebouwd en bepaald in artikel 6:227c, tweede lid BW dat de dienstverlener de ontvangst van de aanvaardingsverklaring moet bevestigen aan de wederpartij. Voorgeschreven is dat deze bevestiging langs elektronische weg moet geschieden. Het ligt voor de hand om dat dan via het e-mailadres van de wederpartij te doen. In dit geval heeft NLE gekozen voor de ontvangstbevestiging per gewone post en niet voor een ontvangstbevestiging naar het e-mailadres van [gedaagde]. Aan die keuze kleeft het risico dat de ontvangstbevestiging de geadresseerde niet bereikt, bij voorbeeld als gevolg van een omstandigheid als door [gedaagde] beschreven. Bevestiging langs elektronische weg aan het bij aanmelding opgegeven e-mailadres […]had niet het risico in zich dat de bevestiging haar niet bereikte, omdat aangenomen wordt (en moet worden) dat een e-mailbericht dat in het Postvak In van de geadresseerde belandt, de geadresseerde heeft bereikt. Uit de verdere details van deze zaak blijkt deze aanname ook terecht: [gedaagde] heeft in 2012 op geen van de aan de [adres] te [plaats 2] per post gezonden brieven gereageerd, terwijl zij op de eerste aan haar gerichte e-mail (4 februari 2013) wel reageert. Naar het oordeel van de kantonrechter draagt NLE de gevolgen van haar keuze om de bevestiging niet -zoals voorgeschreven- langs elektronische weg te verzenden maar per gewone post.

4.2.

NLE heeft nog betoogd dat het feit dat zij tweemaal met succes de kosten voor de geleverde energie automatisch heeft kunnen incasseren van de rekening van [gedaagde] impliceert dat [gedaagde] erkent de wederpartij van NLE te zijn.

Dit standpunt is onjuist. Kennelijk bedoelt NLE te stellen dat zij op grond van de twee gelukte betalingen er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [gedaagde] haar wederpartij was. Gerechtvaardigd vertrouwen verdient slechts bescherming indien het is opgewekt door toedoen van degene tegen wie men zich op dat vertrouwen beroept. In dit geval gaat het om de uitvoering van een automatische incasso, waarin [gedaagde] geen actieve rol heeft gespeeld; bijgevolg is er geen sprake van enig toedoen. Voor zover van enig toedoen van [gedaagde] uit de stukken blijkt, wijst dat nu juist op het tegendeel van hetgeen NLE wenst te betogen, omdat dit toedoen nu juist de stornering van alle latere incasso’s betrof.

5.

De vordering kan niet slagen en wordt afgewezen met veroordeling van NLE in de kosten van de procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

i. wijst de vordering af;

veroordeelt NLE in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. J.A.O.M. van Aerde, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 14 januari 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

Bron: Rechtspraak.nl

Arbeidsovereenkomst tussen inlener en werknemer? Uitspraak over payroll- dan wel uitzendovereenkomst

Payrollovereenkomst: geen uitzendovereenkomst ex 7: 690 BW, uitzendbeding ex art. 7:691 lid 2 BW niet rechtsgeldig overeengekomen wegens ontbreken allocatiefunctie van payrollbedrijf.

Door gekozen constructie wordt heen gekeken; payrollbedrijf heeft op geen enkele wijze invulling gegeven aan werkgeverschap en is bij het tot stand komen van de overeenkomst op geen enkele wijze betrokken geweest. Inlener had reeds door payrollbedrijf getekende overeenkomsten klaar liggen. Overeenkomst is volledig door inlener ‘geregeld’. Arbeidsovereenkomst tussen inlener en werknemer tot stand gekomen. Inlener gehouden loon door te betalen.

Tekst essentie uit uitspraak ECLI:NL:RBDHA:2013:19102 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 30-12-2013

Bron: Juridisch Dagblad

Transavia veroordeeld tot betalen 1600 euro schadevergoeding aan passagier

Het standby houden van een crew bij het ‘uit de uren lopen’ hoort bij organisatie vliegmaatschappij

Opnieuw een luchtvaartzaak in het NJD, mr. S.M. Depmann namens Das Rechtsbijstand tegen Transavia, met gemachtigde mr. M. Reevers. Ditmaal de volgende casus. Eiser (1) vordert op grond van de EG Verordening Nr. 261/2004 een vergoeding van € 1.600,- omdat de door vlucht HV644 van Heraklion (Kreta, Griekenland) naar Amsterdam op 22 augustus 2010 langdurig vertraagd is geweest.

Door van buiten komende oorzaak ontstaat vertraging in de vluchtrotatie. Deze verlate aankomst in Heraklion rechtvaardigt voor Transavia het beroep op disculpatiegrond. Daarna wordt de volgende vlucht vertraagd, omdat de bemanning uit de uren zal lopen en de komst van nieuwe bemanning te lang duurt waardoor de vertraging verder oploopt.

De vertraging is zodoende niet alleen gevolg van de eerdere van buiten komende oorzaak, maar ook van personeelsplanning van Transavia en het niet voor handen hebben van een bemanning.

Geen toewijzing extra kosten vertraging, de Transavia-lunch en een diner en twee drankjes was redelijk

Hoe oordeelt de rechter? Vanaf r.o. 3.1:

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:

     [eiser 1] heeft een vlucht geboekt voor 22 augustus 2010 van Heraklion naar Amsterdam met vluchtnummer HV644 en met Transavia als luchtvaartmaatschappij;

     Deze vlucht is met grote vertraging in Amsterdam aangekomen;

     Tijdens de wachttijd in Heraklion heeft Transavia een lunch en een maaltijd aangeboden alsmede twee drankjes;

     De vlucht HV644 behoort tot de vluchtrotatie Amsterdam – Heraklion – Kos – Amsterdam;

     Door een storing in het communicatiesysteem van de Griekse luchtverkeersleiding kon het vliegtuig dat onderweg was van Amsterdam naar Heraklion aanvankelijk niet landen op Heraklion en is dit uitgeweken naar Chania;

     Het vliegtuig is vervolgens van en naar Kos gevlogen en met ruime vertraging in Heraklion aangekomen;

     De vlucht HV644 kon vervolgens pas worden uitgevoerd nadat een nieuwe bemanning was ingevlogen, omdat de oorspronkelijke bemanning “uit de uren” zou lopen.

3.2

[eiser 1] vordert op grond van de EG Verordening Nr. 261/2004 een vergoeding van € 1.600,– stellende dat de door vlucht HV644 van Heraklion (Kreta, Griekenland) naar Amsterdam op 22 augustus 2010 langdurig vertraagd is geweest. Het Europese Hof van Justitie heeft geoordeeld dat luchtvaartpassagiers recht hebben op compensatie als zij hun eindbestemming drie uur of later na de oorspronkelijk geplande aankomsttijd bereiken, hetgeen thans ook in nationale jurisprudentie gevolgd wordt. Transavia weigert ten onrechte betaling. [eiser 1] vordert voorts betaling van de noodzakelijk gemaakte extra kosten voor maaltijden en verfrissingen met een totaal beloop van € 13,30. Sinds 23 oktober 2012 verkeert Transavia in verzuim, zodat vanaf die datum ook de wettelijke rente verschuldigd is, aldus steeds [eiser 1].

3.3

In de conclusie van antwoord voert Transavia een reeks van verweren, doch bij pleidooi – na kennisname van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 oktober 2012 – beperkt zij haar verweer tot een beroep op de in de Verordening Nr. 261/2004 opgenomen disculpatiegrond.

Transavia is niet verplicht compensatie te betalen als de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Die omstandigheden hebben zich in dit geval voorgedaan. Tijdens de voorgaande vlucht (HV643) ontstond in het communicatiesysteem van de Griekse luchtverkeersleiding een probleem dat tot ernstige verstoring heeft geleid. Toestellen konden niet meer landen op of vertrekken vanaf Heraklion.

Hoewel toestellen die reeds onderweg waren zo goed als mogelijk zijn afgehandeld, bleek de luchthaven Heraklion bij aankomst te zijn volgelopen, zodat het toestel niet kon landen. Vervolgens is uitgeweken naar Chania.

In verband met de voortdurende verstoring is nadien nog van en naar Kos gevlogen, welke bestemming eveneens in de vluchtrotatie was opgenomen. Uiteindelijk is het vliegtuig met een forse vertraging in Heraklion aangekomen. Eenmaal daar bleek dat de bemanning “uit de uren” was gelopen of bij reguliere uitvoering van de vlucht naar Amsterdam “uit de uren” zou lopen.

Om die reden kon met deze bemanning niet verder gevlogen worden en is gewacht op een nieuwe bemanning. Transavia heeft de door [eiser 1] geboekte vlucht uiteindelijk met een nieuwe bemanning uitgevoerd. De vertraging die is ontstaan, is het gevolg van de storing in het communicatiesysteem van de Griekse luchtverkeersleiding. Die storing is aan te merken als buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening 261/2004, zodat Transavia niet gehouden is de in de Verordening bedoelde compensatie te betalen.

Immers, Transavia heeft geen enkele invloed kunnen uitoefenen op het ontstaan van de storing in het communicatiesysteem en ook niet op de duur van de storing. De voorgevallen omstandigheid die tot vertraging heeft geleid valt niet binnen de daadwerkelijke controle van Transavia. Het “uit de uren lopen” van de bemanning is een gevolg van de vertraging. Indien wel compensatie wordt toegekend is er volgens Transavia aanleiding om tot matiging over te gaan.

Toewijzing van de vordering leidt tot disproportionele gevolgen. De gevolgen voor het door [eiser 1] ondervonden ongemak worden gecompenseerd met een vergoeding die de ticketprijs overstijgt, hetgeen tot gevolg heeft dat gratis gereisd is en nog een aanvullende betaling moet volgen.

Om die reden is matiging tot een bedrag van 25% van de ticketprijs aangewezen. Er is geen grond voor toewijzing van de gemaakte extra kosten en de buitengerechtelijke incassokosten die gevorderd worden, aldus steeds Transavia.

De kantonrechter oordeelt als volgt:
3.4

Uit de beantwoording van de prejudiciële vragen (het arrest van het Hof van 23 oktober 2012 in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson – Lufthansa) en C-629/10 (TUI c.s. – Civil Aviation Authority) volgt –kort samengevat– dat het Sturgeon-arrest als geldend recht dient te worden beschouwd, zodat de passagiers ook bij vertraging van een zekere duur recht op compensatie kunnen hebben, tenzij sprake is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in paragraaf 14 van de Verordening.
3.5

De vertraging is in dit geval een gegeven, dat maakt dat de vordering van [eiser 1] die ziet op de in de Verordening genoemde compensatiebedragen toewijsbaar is, tenzij de door Transavia naar voren gebrachte omstandigheden gelden als buitengewone omstandigheden als bedoeld in de genoemde Verordening, waarbij het aan Transavia is deze feiten te stellen en bij betwisting te bewijzen.
3.6

In de considerans van de Verordening heeft de gemeenschapswetgever erop gewezen dat dergelijke omstandigheden zich met name kunnen voordoen in geval van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.
3.7

In jurisprudentie is verder verduidelijkt dat omstandigheden alleen dan als uitzonderlijk in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening kunnen worden aangemerkt, wanneer zij verband houden met een gebeurtenis die, net als die in punt 14 van de considerans van deze verordening zijn opgesomd, niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij, en laatstgenoemde hierop geen daadwerkelijk invloed kan uitoefenen wegens de aard of de oorsprong van die gebeurtenis.

3.8 Met Transavia is de kantonrechter van oordeel dat het probleem bij de Griekse luchtverkeersleiding in het communicatiesysteem, waardoor de reguliere vluchtrotatie verstoord is, in beginsel wel gerekend kan worden tot de bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Immers, Transavia is niet verantwoordelijk voor de goede werking van dat systeem en kan daarop ook geen invloed uitoefenen. Dit betreft daadwerkelijk een geheel van buiten komende oorzaak.

 

3.9 Veronderstellende dat de luchthaven Heraklion voor Transavia op het moment van aankomst daadwerkelijk gesloten was, hetgeen [eiser 1] betwist, moet de beslissing van gezagvoerder om uit te wijken naar een andere luchthaven en eerst ook passagiers op Kos af te leveren en op te halen, gerespecteerd worden, zodat Transavia zich voor wat betreft de latere aankomst op Heraklion in beginsel met succes op artikel 5 lid 3 van de Verordening kan beroepen.

De gezagvoerder is verantwoordelijk voor de vliegveiligheid en er is geen reden om aan zijn beoordeling te twijfelen. Dit betekent echter nog niet automatisch dat Transavia zich ook voor wat betreft het latere vertrek uit Heraklion en de aankomst in Amsterdam op deze disculpatiegrond uit de Verordening kan beroepen.
3.10

In dezen gaat het namelijk niet alleen om de aanvankelijke vertraging die ontstaan is door de communicatieproblemen bij de Griekse luchtverkeersleiding. De vertraging is mede ontstaan én vele uren groter geworden vanwege het feit dat Transavia nieuwe bemanning moest invliegen, alvorens de vlucht naar Amsterdam uitgevoerd kon worden.

Uit de tijdens het pleidooi op vragen van de kantonrechter gegeven toelichting volgt dat de aankomstvertraging op Heraklion van 5 uur meer dan verdubbeld is vanwege het feit dat aanvankelijk geen bemanning voor handen was waarmee het vliegtuig naar Amsterdam kon vertrekken.

De aankomstvertraging in Amsterdam is daarmee niet het uitsluitende gevolg van het communicatieprobleem bij de Griekse luchtverkeersleiding, maar ook van de wijze waarop Transavia de inzet van haar personeel georganiseerd heeft. Die wijze van inzet valt onder de verantwoordelijkheid van Transavia en van Transavia alleen.

Het feit dat personeel “uit de uren” is gelopen is weliswaar het gevolg van de vertraging, het feit dat geen nieuwe bemanning beschikbaar was en pas uren later beschikbaar kwam doordat deze uit Amsterdam is ingevlogen, is het gevolg van de personeelsplanning van Transavia en daarmee wel degelijk inherent aan de normale activiteit van Transavia als luchtvaartmaatschappij.

Nu voor de aankomstvertraging in Amsterdam niet langer sprake is van een volledig “van buiten komende oorzaak”, maar van de situatie dat de vertraging ook deels is terug te voeren op de organisatie bij Transavia, kan zij zich niet op de disculpatiegrond beroepen en is de vordering tot uitbetaling van de compensatie toewijsbaar.
3.11

Ook het beroep op matiging wordt verworpen. In het algemeen geldt dat een gemeenschapshandeling zoveel mogelijk wordt uitgelegd dat de geldigheid niet wordt aangetast. Verder dient de uitleg in overeenstemming te zijn met het gehele primaire recht, daaronder begrepen het beginsel van gelijke behandeling, dat vereist dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties gelijk worden behandeld. De bedoeling van de Verordening is bescherming van luchtreizigers te verbeteren door de schade die zij tijdens luchtvervoer lijden te vergoeden.

De Verordening strekt er toe onmiddellijk en gestandaardiseerde compensatie voor schade te bieden, ook voor schade die bestaat in geleden tijdsverlies, waarvoor slechts (financiële) compensatie mogelijk is. Hoewel het thans niet zozeer om uitleg van regels gaat, maar om de toepassing daarvan, is de kantonrechter van oordeel dat met deze uitgangspunten niet te verenigen is de situatie dat individuele rechters in voorkomende gevallen en in afwijking van hetgeen gemeenschappelijk is geregeld, afbreuk doet aan de uniformering door op grond van matiging andere bedragen voor compensatie toe te kennen dan de in de Verordening genoemde.
3.12

Nu het beroep van Transavia op buitengewone omstandigheden faalt en de vordering ook niet voor matiging in aanmerking komt, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom, gelet op de duur van vertraging van de vlucht, worden toegewezen. De wettelijke rente wordt toegewezen, zoals gevorderd. Daartegen is ook geen verweer gevoerd.
3.13

De gevorderde extra kosten worden afgewezen. Vaststaat dat uitvoering is gegeven aan artikel 9 van de Verordening en dat maaltijden en verfrissingen zijn aangeboden. De passagiers stellen zich op het standpunt dat meer aangeboden had moeten worden. Het aanbod moet in een redelijke verhouding tot de vertraging staan. Wat als redelijk ervaren wordt zal van geval tot geval verschillen.

Het begrip “redelijke verhouding” heeft ook in zich dat niet alles door de luchtvaartmaatschappij betaald hoeft te worden, zolang maar sprake is van een redelijke verhouding. De kantonrechter is van oordeel dat het aanbod van een lunch en een diner en twee drankjes in dit geval in een redelijke verhouding staat, zodat de vordering op dit punt wordt afgewezen.

3.14 Aangezien de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben verricht om betaling van hun vordering te verkrijgen, zullen de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden toegewezen.
3.15.

Transavia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden tot op heden begroot op € 607,16, te specificeren als volgt: kosten dagvaarding € 100,16, griffierecht € 207,– en salaris gemachtigde € 300,– ( 2 punten volgens toepasselijk liquidatietarief).
4 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Transavia tot betaling aan [eiser 1] van een bedrag van € 1.600,– vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 23 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Transavia tot betaling aan [eiser 1] van een bedrag van € 178,50; (…)

Bron: Juridisch Dagblad