Vallen op werkvloer meest voorkomende arbeidsongeval

Van alle arbeidsongevallen die in 2014 leidden tot een verzuim van vier dagen of meer, was onderuitgaan op de werkvloer de meest voorkomende. Daarnaast leidt ook letsel dat anderen toebrengen (bedreigen, bijten, schoppen) vaak tot verzuim.

Dit blijkt uit een enquête van CBS. In deze enquête geeft 3,4 procent van de werknemers aan in 2014 één of meer arbeidsongevallen te hebben gehad. Dat komt neer op zo’n 240 duizend werknemers. Bij bijna 88 duizend van deze arbeidsongevallen volgde een verzuim van minimaal vier dagen.

Verzuim door lichamelijk letsel

Het letsel was in de meeste gevallen lichamelijk. In bijna 30 procent van de ongevallen met langer verzuim ontstond de blessure door uitglijden, struikelen of vallen op de werkplek. Bedreiging, bijten of schoppen werd ook vaak genoemd als oorzaak (22 procent), evenals beknelling of geraakt worden door een voorwerp (16 procent).

Verzuim door geestelijk letsel

Bij ruim een kwart van de 88 duizend arbeidsongevallen die in 2014 leidden tot langer verzuim gaven de ondervraagden aan dat sprake was van geestelijk letsel (26 procent). Het gaat dan bijvoorbeeld om psychische schade door bedreiging of een shock door een traumatische ervaring. Bij 16 procent ging het om een combinatie van fysiek en psychisch letsel.

Ongeveer een kwart van de ongevallen (26 procent) deed zich volgens de werknemers voor op locaties als fabrieken en reparatie-werkplaatsen. Bij zorginstellingen en op locaties in de dienstverlenende sector (bijvoorbeeld een kantoor, school of museum) ging het om 15 procent van de arbeidsongevallen. Op bouwterreinen, in woningen en in openbare ruimten vonden volgens de enquêteresultaten minder arbeidsongevallen plaats.

De resultaten in deze bijdrage zijn ontleend aan de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA), die wordt uitgevoerd door CBS en TNO. De uitkomsten met betrekking tot arbeidsongevallen zijn niet vergelijkbaar met eerdere jaren van de NEA, vanwege methodologische wijzigingen.

Bron: PenO Actueel

Zo is het wel genoeg

Een 62-jarige man, huisschilder van beroep, verdient tot in de eerste helft van 2013 als ZZP’er probleemloos de kost. Hij heeft met gemak werk tot medio 2017 en hij is van plan om ook daarna nog vier jaar door te werken. Dan slaat het noodlot toe. Rijdend op zijn motor op zijn eigen weghelft wordt hij frontaal aangereden door een auto. Hij breekt zijn pols en een groot deel van het spierweefsel van een been wordt door contact met het wegdek weggeschuurd.

De verzekeringsmaatschappij erkent aansprakelijkheid en ziet ook in dat de man blijvend volledig arbeidsongeschikt is. In de daaropvolgende periode keert de verzekeringsmaatschappij in totaal netto € 23.500,- uit waarna op grond van de jaarcijfers wordt beweerd dat hiermee alle schade wegens inkomensverlies wel vergoed is.

Onze schilder spant een kort geding aan tegen de verzekeringsmaatschappij en vordert aanvullende bevoorschotting op zijn schade waartegen de verzekeringsmaatschappij zich verweert, in feite door alles te ontkennen en op grond daarvan te zeggen dat het zo wel genoeg is.

De rechter leest de jaarcijfers bepaald anders, concludeert dat er behalve inkomensderving ook sprake is van verlies aan zelfwerkzaamheid (niet meer zelf klussen, verven, tuin bijhouden doch voortaan moeten inhuren van betaalde krachten) en huishoudelijke hulp behoefte (wat vandaag de dag ook niet meer gesubsidieerd wordt). De rechter wijst als aanvullende schade een bedrag toe van netto € 30.000,- enkel over de periode tot en met 2014.

Te hopen valt dat de man niet ook over de volgende jaren tot en met 2021 elk jaar moet procederen om zijn schade vergoed te krijgen. Misschien valt het mee. Want voordat een rechter in kort geding geldvorderingen toewijst, moet er wel wat aan de hand zijn, in de zin dat de rechter er echt van overtuigd is dat de uiteindelijke schade veel hoger zal liggen. Het standpunt van de verzekeringsmaatschappij moet dus echt onverdedigbaar zijn geweest. Het is niet aannemelijk dat dit bij de verzekeringsmaatschappij op een vergissing berustte. In zo’n geval wekt de verzekeringsmaatschappij de schijn op gewoon geprobeerd te hebben de schilder de bietenbrug op te sturen, want rechters delen echt geen cadeautjes uit.

Het is een zegen dat ook de rechter wel eens kan zeggen: “Zo is het wel genoeg.”

 

Bron: Actuele artikelen

Ruimere schadevergoeding voor slachtoffers en hun naaste omgeving

Staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) wil de vergoeding van schade als gevolg van letsel en overlijden verruimen. Zo kunnen slachtoffers een ruimere vergoeding van de kosten voor verzorging, verpleging en begeleiding krijgen als naasten deze zorgtaken op zich nemen. De huidige regeling is beperkt en vergoedt alleen de kosten tot het bedrag dat men kwijt zou zijn als professionele hulp wordt ingeschakeld. Die vergoeding kan lager zijn dan het inkomensverlies van naasten die minder moeten gaan werken om zorg te kunnen verlenen.

Dit staat in een wetsvoorstel dat voor advies naar verschillende instanties is gestuurd. Het is in lijn met het regeerakkoord dat slachtoffers en hun naaste omgeving een sterkere positie wil geven.

Teeven komt de slachtoffers en hun naasten op dit punt tegemoet en regelt dat inkomensschade meetelt in de vergoeding van de zorgkosten, te betalen door de partij die aansprakelijk is. De keuze van familie- of gezinsleden om zorg op zich te nemen, past binnen het streven van het kabinet om mensen zoveel mogelijk in hun eigen omgeving te ondersteunen. Het slachtoffer houdt zo ook de regie over de wijze waarop de zorg wordt geregeld.

Verder komt er een vergoeding van affectieschade voor naasten en nabestaanden van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel of die zijn overleden door een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Bijvoorbeeld een verkeersongeluk, medische fout, bedrijfsongeval of geweldsmisdrijf.

De bewindsman kiest voor een regeling met vaste bedragen als vergoeding. Door te variëren in categorieën en in de omvang van de vergoeding, houdt het systeem voldoende rekening met de persoonlijke omstandigheden van naasten en nabestaanden. Niet iedereen komt in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. Teeven gaat uit van een vaste kring van gerechtigden: echtgeno(o)t(e) van het slachtoffer, geregistreerde partner, levensgezel, kinderen en ouders. De vergoeding ligt tussen de 12.500 en 20.000 euro, te betalen door de partij die aansprakelijk is voor de schade.

Uit onderzoek van de Vrije Universiteit in 2009 blijkt dat naasten en nabestaanden behoefte hebben aan aandacht voor de emotionele gevolgen van een ongeval. Zij hebben verdriet omdat een gezins- of familielid door een fout van een ander is overleden of ernstig gewond is geraakt. Vergoeding van affectieschade kan hun leed niet wegnemen, maar wel erkenning en genoegdoening bieden en helpen bij de verwerking.

Tot slot kunnen de ouders van een misbruikt kind, die de kosten voor medische behandeling en begeleiding van hun kind op de dader willen verhalen, zich voegen in het strafproces. Nu kan dat niet, omdat volgens de wet alleen slachtoffers een verzoek tot schadevergoeding kunnen indienen. Teeven komt hiermee tegemoet aan een wens van de Tweede Kamer naar aanleiding van de Amsterdamse zedenzaak. Overigens beperkt het voorstel zich niet alleen tot misbruik, ook andere strafbare feiten vallen eronder.

Naasten of nabestaanden kunnen zich in het geval van een geweldsmisdrijf met hun vordering tot vergoeding van affectieschade ook voegen in het strafproces. De eenvoudige opzet van de regeling met vaste bedragen en een vaste kring van gerechtigden leent zich daar goed voor.

Bron: Ministerie van Justitie

Whiplash?

Omdat whiplash en de daarbij optredende klachten en beperkingen zo lastig zijn vast te stellen (op röntgenfoto’s en scans is in de regel niets te zien) en gaandeweg wel de overtuiging is ontstaan dat slachtoffers echt serieus lijden aan tal van klachten (last van licht, lawaai, hoofdpijn, nekpijn, in de loop van de dag afnemende concentratie en spankracht, niet meer twee dingen tegelijk kunnen, geheugenstoornissen etc.), heeft de Hoge Raad het eenvoudiger gemaakt om whiplash na een ongeval te bewijzen.

De klachten moeten serieus, niet bedacht en niet ingebeeld zijn en dat moet door (medische) deskundigen worden vastgesteld. Als dat zo is, gaat de rechtspraak er van uit dat de botsing de oorzaak is van de klachten en beperkingen.

De rechtbank Den Haag maakt daar een uitzondering op. Een automobiliste werd van achteren aangereden door een andere automobilist. Zij was volgens haarzelf voor het ongeval gezond en klachtenvrij. Na het ongeval had ze tal van klachten aan nek, schouders, armen en benen en een post traumatisch stress syndroom (ptss).

De medici oordeelden dat de klachten van de vrouw serieus waren en niet bedacht, overdreven of ingebeeld. Maar mevrouw weigerde haar medische voorgeschiedenis te overleggen. De rechtbank wees een oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en de botsing af. Er bleek namelijk aan beide auto’s nauwelijks schade.

De achterkant van de auto waarin de vrouw zat, had enkel een beetje lakschade terwijl de achteropkomer een scheurtje in de voorbumper had. Daaruit werd afgeleid dat de botsing had plaatsgevonden met een snelheid die niet hoger was dan 15 km/uur en de rechtbank oordeelde dat het onaannemelijk was dat een botsing met zo’n lage snelheid tot genoemde klachten zou kunnen leiden. Om die reden werd de vordering tot schadevergoeding afgewezen.

Het feit dat mevrouw weigerde haar medische voorgeschiedenis in de procedure te overleggen, zal niet hebben bijgedragen aan haar kansen.

Bron: Actuele artikelen

Meer asbestslachtoffers krijgen financiële tegemoetkoming

Mensen die door het werken met asbest stoflongen (asbestose) hebben opgelopen, kunnen vanaf 1 april 2014 een financiële tegemoetkoming van ruim 19.000 euro krijgen van de overheid. Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid schrijft dat eind maart, mede namens staatssecretaris Mansveld van Infrastructuur en Milieu, in een brief aan de Tweede Kamer.

Asbestose is een stoflongziekte die veroorzaakt wordt door een langdurige en intensieve blootstelling aan asbeststof. De tegemoetkoming van de overheid is een voorschot op de schadevergoeding die een zieke werknemer van zijn (oude) werkgever ontvangt. Als een werknemer eenmaal een schadevergoeding heeft ontvangen, moet de overheidstegemoetkoming worden terugbetaald.

Eind vorig jaar bereikten onder meer verzekeraars en werkgevers overeenstemming over een vergoeding voor immateriële schade voor werknemers die asbestose hebben opgelopen door hun werk. Deze vergoeding kan oplopen tot ruim 55.000 euro per slachtoffer. Het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) bemiddelt tussen asbestslachtoffers en hun werkgever.

Tot nu toe hadden alleen mensen die de ziekte ‘maligne mesothelioom’ krijgen (een vorm van kanker die ontstaat door asbestdeeltjes in de longen), recht op een tegemoetkoming vooruitlopend op een schadevergoeding. Die groep wordt nu dus uitgebreid.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Rechtbank kent 10,000 euro smartengeld toe in zaak overval met geweld op juwelier Gouda

Drie mannen van 18, 19 en 20 jaar oud krijgen van de rechtbank Den Haag gevangenisstraffen van , 36 maanden , waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van Drie mannen van 18, 19 en 20 jaar oud krijgen van de rechtbank Den Haag gevangenisstraffen van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Zij worden veroordeeld voor de gewelddadige overval op een juwelier in Gouda. Een minderjarige mededader (17) krijgt voor hetzelfde vergrijp een jaar onvoorwaardelijke jeugddetentie. Ook krijgt deze minderjarige een zogenaamde Gedrags Beinvloedende Maatregel opgelegd door de rechtbank.

Drie mannen van 18, 19 en 20 jaar oud krijgen van de rechtbank Den Haag gevangenisstraffen van , 36 maanden , waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van Drie mannen van 18, 19 en 20 jaar oud krijgen van de rechtbank Den Haag gevangenisstraffen van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Zij worden veroordeeld voor de gewelddadige overval op een juwelier in Gouda. Een minderjarige mededader (17) krijgt voor hetzelfde vergrijp een jaar onvoorwaardelijke jeugddetentie. Ook krijgt deze minderjarige een zogenaamde Gedrags Beinvloedende Maatregel opgelegd door de rechtbank.

Een 27 jarige verdachte die de anderen heeft getipt over deze juwelier krijgt van de rechtbank voor medeplichtigheid en voor wapenbezit een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren.

De vier overvallers hebben op 21 mei 2013 in Gouda gezamenlijk een juwelier overvallen. Ze dreigden met geweld, hebben met een hamer ingeslagen op een vitrinekast met horloges en hebben de in de juwelierszaak aanwezige eigenaresse geslagen met het vuurwapen.

Tijdens de overval heeft een van de mannen geschoten met hetzelfde vuurwapen. Een andere winkelier die aangeefster wilde helpen is door een van de overvallers geslagen met een ploertendoder.

De rechtbank kent 10,000 euro smartengeld toe aan de aangeefster voor het ontstane leed. Haar claim terzake van andere kostenposten werd door de rechtbank gedeeltelijk toegewezen voor dat deel kan zij nog wel naar de civiele rechter stappen om geld te eisen van hen.

Twee minderjarige medeplichtigen, die hielpen met voorbereiden dan wel het vuurwapen en de ploertendoder hebben geleverd, krijgen werkstraffen en voorwaardelijke jeugddetentie van de rechtbank. De derde minderjarige medeplichtige, de vriendin van een van de overvallers, is vrijgesproken.

Tekst essentie uit ECLI:NL:RBDHA:2013:16608 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 05-12-2013

Bron: Juridisch Dagblad

Bestuurder die bestuurshandelingen verricht terecht aansprakelijk gesteld

Onlangs oordeelde Rechtbank Zeeland -West-Brabant dat een bestuurder van een bv die failliet ging aansprakelijk kan worden gesteld voor niet-betaalde belastingen. Volgens de rechtbank heeft belanghebbende namelijk bestuurshandelingen verricht en was er derhalve geen sprake van enkel formeel bestuurderschap.

De bestuurder van de bv stond als zodanig ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. In oktober 2009 stelt de inspecteur een boekenonderzoek in bij de bv. Naar aanleiding van het boekenonderzoek legt de inspecteur naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting op aan de bv. De bv wordt in 2010 failliet verklaard. Vervolgens wordt de bestuurder voor € 566.908 aansprakelijk gesteld voor de niet-betaalde belastingen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat belanghebbende is aan te merken als bestuurder en dan aansprakelijk kan worden gesteld. Volgens de rechtbank heeft de bestuurder namelijk bestuurshandelingen verricht en was er derhalve geen sprake van enkel formeel bestuurderschap. De rechtbank overweegt verder dat de bestuurder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het administratiekantoor van de bv een melding betalingsonmacht heeft gedaan. De inspecteur ontkent namelijk dat hij een formulier melding betalingsonmacht heeft ontvangen. De rechtbank merkt uiteindelijk nog wel op dat de bestuurder ten onrechte aansprakelijk is gesteld voor naheffingsaanslagen die na de faillissementsdatum zijn opgelegd. De rechtbank vermindert de aansprakelijkstelling naar € 381.464.

Bron: Accountancy Nieuws

Hogere uitkeringen bij letselschade?

Worden de uitkeringen bij letselschade hoger? En welke factoren spelen daarbij een rol?

Smartengeld blijkt nog steeds niet hoger te worden. Hooguit dat het wat met de inflatie gecorrigeerd wordt maar meer ook niet. In Nederland zijn de smartengeld-bedragen relatief laag in vergelijking met de ons omringende landen.

Een belangrijke verhogende factor is de rentestand. Vooral bij langjarige schade (de jaarlijkse netto inkomensschade, jaarlijkse kosten van zorg en hulpverlening) is de rentestand van belang. Immers, bij afwikkeling van de schade gaat dat met een bedrag ineens, een kapitaal dus, waarbij men er van uitgaat dat er jaarlijks ook wel wat rente op verdiend kan worden.

Hoe hoger de rente, des te lager het beginkapitaal hoeft te zijn. De rente die men in berekeningen hanteert is de zogeheten rekenrente. Dat is niet per se de rente per heden omdat er ook nog belastingschade (1,2% per jaar ex box 3) in meegewogen wordt.

Bovendien gaat men uit van langjarige gemiddelden. Jarenlang ging men uit van een bruto rendement van 6% op het kapitaal en dat inflatie en belastingschade samen op 3% uitkwamen. Aldus ontstond er een rekenrente van 6 – 3 = 3% Wie tien jaar lang ieder jaar 10.000 euro als compensatie moest hebben, kreeg daardoor geen 100.000 euro, maar afgerond 90.000 euro ineens.

Bij een hogere rekenrente zou dat nog minder zijn omdat het kapitaal dan geacht wordt ieder jaar meer aan te groeien.

Al geruime tijd zitten we met een zeer lage rentestand waardoor niet langer verdedigbaar is een langjarig rendement van 6% te hanteren. Zelfs 3% is aan de hoge kant vooral omdat slachtoffers met hun schadebedrag geen gokje wagen op de aandelenmarkt. Neen, men belegt in deposito’s, spaarrekeningen en obligaties.

Nu de belastingschade plus inflatie ook 3% zijn, daalt de rekenrente gaandeweg naar nul.

En dan kost hetzelfde schadegeval de verzekeraar geen 90.000 euro, maar 100.000 euro. Dat is een stijging van maar liefst 10% zonder dat het slachtoffer ook maar de indruk heeft er beter van te worden, want de compensatie van de jaarschade blijft gelijk.

En dan is er nog een verhogende factor die op het bord van de verzekeraar komt. Dat is het effect van de terugtredende overheid.

In feite nam de overheid altijd een deel van de schade voor haar rekening door middel van WAO-uitkeringen, gesubsidieerde hulp, etc. Zware bezuinigingen dringen de overheidsuitkeringen omlaag en thuiszorg wordt steeds minder snel geïndiceerd. En dan moet de verzekeraar met extra geld over de brug komen om het slachtoffer in gelijke mate te compenseren.

Is er ook een verlagende factor? Toch wel. Het slachtoffer moet – ook qua inkomen – op het niveau gebracht worden van de situatie indien er geen ongeval had plaatsgevonden.

Voorheen ging men uit van het scenario dat iedereen zonder meer tot 65-jarige leeftijd werk en dus inkomen had, uiteraard met de nodige promoties.

Die vanzelfsprekendheid is er echter ook niet meer.

Menigeen krijgt te maken met ontslag en perioden van werkloosheid, ook als men geen ongeval krijgt.

Hoe het ook is, men is zonder ongeval beter af.

Bron: Actuele artikelen

CRvB over intrekking en terugvordering bijstand ivm hoge schadevergoeding na een aanrijding

Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over intrekking en terugvordering bijstand in verband met ontvangen schadevergoeding na een aanrijding, waarbij appellant letsel heeft opgelopen. Een gedeelte van de schadevergoeding is ten onrechte als inkomen in de zin van de WWB aangemerkt, zo blijkt. Appellant was gedurende ruim zeven jaar in overleg met Achmea (verzekeraar automobilist) om overeenstemming te bereiken over de schadevergoeding. Bij de vaststellingsovereenkomst is de door appellant geleden en nog te lijden schade vastgesteld op een totaalbedrag van € 340.389,66. Gelet op door Achmea al betaalde voorschotten tot een bedrag van € 60.389,66 bedraagt de slotuitkering € 280.000,-. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

‘4.1. Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de WWB beschikt of kan beschikken.

Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend als de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand.

4.2. 
Volgens vaste rechtspraak (CRvB 4 maart 2003, LJN AF6329) geldt als uitgangspunt dat, indien recht op schadevergoeding ontstaat door een ongeval, de aanspraken daarop worden toegerekend aan de periode die aanvangt op de datum van dat ongeval. Dit is slechts anders indien er voldoende, op objectiveerbare gegevens berustende redenen zijn om aan te nemen dat die aanspraken aan een andere, latere, periode dienen te worden toegerekend.

4.3. 
Vaststaat dat appellant naar aanleiding van de aanrijding op 6 april 2001 aanspraak kon maken op een schadevergoeding. Tevens staat vast dat hij op 15 januari 2009 de beschikking heeft gekregen over een slotuitkering van € 280.000,–. Vanaf dat moment is sprake van in aanmerking te nemen middelen met betrekking tot een periode waarover eerder bijstand is verleend, zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB.

4.4. 
Volgens vaste rechtspraak (CRvB 27 oktober 2009, LJN BK3358) is er in geval van toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB geen wettelijke basis voor een voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit op grond van

artikel 54, derde lid, aanhef en onder a of b, van de WWB. In de situatie waarop deze bepaling ziet is namelijk geen sprake van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand. Dit betekent dat het college niet bevoegd was de bijstand van appellant in te trekken over de periode in geding. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het bestreden besluit 1 zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad, met gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit 1, dat besluit vernietigen voor zover daarbij de bijstand over de periode in geding is ingetrokken. Tevens is er aanleiding het besluit van 26 maart 2009 in zoverre te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit 1. Tot slot bestaat aanleiding voor een vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure.

4.5. 
Het college heeft zich ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit 2 de slotuitkering van € 280.000,– ten onrechte als inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is aangemerkt. Appellant heeft volgens het college geen objectieve gegevens overgelegd waaruit is op te maken dat de slotuitkering geheel of gedeeltelijk inkomen betreft te relateren aan een bepaalde periode vanaf het ongeval. Dit betekent dat appellant achteraf over in aanmerking te nemen middelen beschikt die het vrij te laten vermogen overschrijden. De over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2009 gemaakte kosten van bijstand zijn daarom terecht, op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, van appellant teruggevorderd.

4.6. 
Nu uit 4.5 volgt dat het college de grondslag van het bestreden besluit 2 heeft verlaten, kan de aangevallen uitspraak ook ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet in stand blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad, met gegrondverklaring van het beroep tegen het bestreden besluit 2, dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover het de terugvordering over de periode in geding betreft. De Raad zal vervolgens nagaan of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit 2 in stand kunnen blijven.

4.7. 
Appellant heeft in hoger beroep onder verwijzing naar de in 1.4 vermelde berekening zijn in beroep naar voren gebrachte standpunt herhaald. De op 15 januari 2009 uitgekeerde slotuitkering van € 280.000,– bestaat uit een bedrag van € 236.649,73 voor vergoeding van verlies aan arbeidsvermogen en heeft voor het overige betrekking op vergoeding van kosten die het college niet alsnog bij de bijstandsverlening in aanmerking heeft genomen. De vergoeding voor het verlies aan arbeidsvermogen van appellant dient toegerekend te worden aan de periode van 1 januari 2002 tot 1 april 2028 en dient jaarlijks te worden vastgesteld. Bij deze jaarlijks vast te stellen schadevergoeding moet in aanmerking worden genomen dat appellant, indien hij niet zou zijn aangereden, op 1 januari 2009 aan het werk zou zijn gegaan tegen een inkomen boven bijstandsniveau, zodat de bijstand vanaf dat moment beëindigd had kunnen worden. Met inachtneming van deze uitgangspunten bedraagt de schade vanaf

1 januari 2009 tot aan het bereiken van de 65-jarige leeftijd van appellant € 208.700,01. Het aan de periode in geding toe te rekenen bedrag aan schade bedraagt dan € 27.949,72

(€ 236.649,73 minus € 208.700,01). Tevens dienen de kosten van rechtsbijstand voor de schadeprocedure tot een bedrag van € 4.303,83 nog in mindering gebracht te worden zodat de terug te vorderen bijstand over de periode in geding maximaal € 23.646,– bedraagt.

4.8. 
Bij gebreke van voldoende verifieerbare, objectiveerbare gegevens heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om het in 4.7 weergegeven standpunt van appellant te volgen. In dit kader is allereerst van belang dat het college in reactie op de vraag van de gemachtigde van appellant op welke wijze het college een mogelijk aan appellant uit te keren schadevergoeding in aanmerking neemt, bij brief van 7 februari 2006 heeft meegedeeld dat een schadevergoeding die ziet op het verlies aan verdienvermogen zal worden ingehouden op de bijstand en dat een specificatie van de schadevergoeding naar de verschillende schadecomponenten dus van belang is. Voorts is de onder 1.4 genoemde brief van de gemachtigde van appellant van belang. In deze brief heeft de gemachtigde zelf nadrukkelijk onder de aandacht van appellant gebracht dat Achmea de schadevergoeding voor het verlies van arbeidsvermogen uitdrukkelijk niet heeft erkend. Voorts is voor het volgen van het standpunt van appellant onvoldoende dat D. Geboers, werkzaam bij Achmea, bij een

e-mailbericht van 16 juni 2009 desgevraagd de gemachtigde heeft meegedeeld dat zij zich wel kan vinden in de door de gemachtigde opgemaakte schadeopstelling. De wijze van toerekening van de schadevergoeding over de door appellant bepleite periode dient vanuit het oogpunt van bijstandsverlening te berusten op concrete en verifieerbare uitgangspunten, terwijl het standpunt van appellant, zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, vooral berust op aannames.

4.9. 
Uit 4.8 alsmede de hoogte van de slotuitkering vloeit voort dat het college bevoegd was over de periode in geding de gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB volledig van appellant terug te vorderen. De aangevoerde grond dat de kosten van rechtsbijstand in mindering moeten worden gebracht op de schadevergoeding, behoeft dan ook geen bespreking meer. Tevens heeft appellant de uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering van het college niet zelfstandig bestreden, zodat ook dit geen bespreking behoeft.

4.10. 
Uit 4.7 tot en met 4.9 volgt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit 2 in stand kunnen worden gelaten.’

Uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2013:750

Bron: Juridisch Dagblad