De gevolgen van de Europese privacy verordening (AVG) voor het MKB

De invoering van de AVG per 25 mei 2018 schept verplichtingen voor het MKB. Er worden immers bij het MKB uiteenlopende wijze persoonsgegevens verwerkt. De AVG eist dat uitsluitend persoonsgegevens mogen worden opgeslagen en verwerkt, indien daarvoor een gerechtvaardigd doel is. Ook dient onderscheid te worden gemaakt tussen bijzondere persoonsgegevens (ras, geloof, politieke voorkeur, vakbondslid, BSN nummer, strafblad) en algemene persoonsgegevens (NAW, emailadres, IP).

De wetgeving dient personen meer bescherming te bieden. Het betreft een Europese wetgeving waarbij een aantal principes gelden. Het toepassen van deze principes heeft consequenties op het juridische en IT gebied van de organisatie: contractbeheer en het beheer van de (interne) informatievoorziening. 

Afsluiten verwerkersovereenkomsten

Het MKB dient verwerkersovereenkomsten af te sluiten met externe partijen, die (privacy) data kunnen inzien, opslaan of op enige wijze iets met de gegevens doet. Om deze overeenkomsten af te sluiten, dient inzicht te zijn met welke partijen dit plaats moet vinden. Denk aan salarisadministratie, accountant, Arbodienst, ICT beheerder.

Inzage in opgeslagen informatie

Het MKB dient inzichtelijk te maken hoe welke informatie (data) waar en voor hoe lang in de administratiesystemen wordt opgeslagen. Ook dienen er technische en administratieve voorzieningen getroffen te zijn voor de beveiliging van gegevens. Op verzoek van betreffende persoon dienen gegevens over hem/haar opgevraagd en/of verwijderd te worden uit de bestanden. Daarvoor dient te worden geïnventariseerdwelke persoonsgegevens voor welk doel worden opgeslagen/verwerkt, waarbij ze naar aard en doel gerubriceerd worden. Voor zo’n verwerkingsregister zijn Excel sheets in omloop.

Juridisch zijn een aantal punten van belang:

  • wijs privacy officer/functionaris gegevensverwerking (FG) aan;
  • instrueer personeel over gebruik usb, wachtwoord, dropbox, google/Gmail etc. en laat medewerkers tekenen dat ze zich zullen houden aan de daarvoor beschikbare procedures, ook indien het fout gaat, bijv. bij verlies van data.
  • stel model verwerkingsovereenkomsten op t.b.v. externe actoren  van MKB;
  • stel privacy en cookie statement op t.b.v. website, Facebook, Twitter, Instagram;
  • zorg in opdrachtbevestiging dat klanten expliciet gewezen worden op gebruik van persoonsgegevens voor nieuwsbrief, seminars en dat ze daarvoor toestemming dienen te geven (via vinkje, in algemene voorwaarden die expliciet geaccepteerd dienen te worden of / ‘voor akkoord’ bij handtekening opdrachtbevestiging).

 Door zich als bedrijf aan deze regels te houden, wordt voorkomen dat uiteindelijk een boete kan worden opgelegd bij overtreding.

  • zorg voor een systeem, waaruit blijkt dat niet-klanten expliciet akkoord gaan met mailing voor nieuwsbrieven, seminars. Beheer zelf (email-)adressenbestand;
  • Formuleer (en communiceer intern) een procedure meldplicht datalekken en Protocol bij datalek, incl.  logging security incidenten.

 

Bron: Actuele Artikelen

Hoe voorkom je als zzp'er dat iedereen je adres en telefoonnummer googlet

De Autoriteit Persoonsgegevens zegt dat de Kamer van Koophandel mogelijk de wet overtreedt door adverteerders inzage te bieden in het handelsregister. De organisaties gaan daarover in gesprek, en dat kan goed nieuws zijn voor ondernemers. Die hebben nu maar weinig middelen om hun privacy te beschermen.

Wie een bedrijf begint, kan niet om de Kamer van Koophandel heen. Je bent als ondernemer verplicht om je in te schrijven in het handelsregister. Dat heeft tot gevolg dat je privégegevens makkelijk vindbaar zijn. Op internet, maar ook in allerlei bestanden die de Kamer van Koophandel aan commerciële partijen doorverkoopt.

Ondernemers krijgen daardoor te maken met een stroom aan post en telefoontjes van energieleveranciers, internetaanbieders en andere bedrijven iets te verkopen hebben.

Vooral voor zzp’ers die vanuit huis werken is de verkoop van data vervelend. Het vestigingsadres van hun bedrijf is in het handelsregister hetzelfde als hun privéadres. Ze krijgen dus thuis te maken met telefoontjes, post en verkoop van deur tot deur.

De privacy van deze ondernemers is er ook niet bij gebaat. Wie via Google op hun bedrijfsnaam zoekt, vindt gemakkelijk hun privéadres. Dat kan tot nare situaties leiden.

De Kamer van Koophandel geeft zelf een aantal tips om je privacy te waarborgen. Zo kun je bij de organisatie de zogenoemde non-mailing indicator inschakelen. Als je dat doet, wordt je adres in ieder geval niet opgenomen in Google Maps en zou je geen last meer moeten hebben van ongewenste post en telefoontjes.

Het helpt ook om in je bedrijfsnaam geen verwijzing te maken naar je eigen naam. Als je Sjaak de Vries heet, denk dan twee keer na voordat je je bedrijf Sjaak de Vries IT Services noemt.

Dreiging

Ook bestaat de mogelijkheid om je privéadres af te schermen. Dan moet je wel aan strikte voorwaarden voldoen: er moet sprake zijn van een waarschijnlijke dreiging, je privéadres moet niet te achterhalen zijn via een andere inschrijving in het handelsregister, je telefoonnummer is niet openbaar en je adres heeft in de gemeentelijke basisadministratie het label ‘geheim’.

Deze ambtelijke molen is trouwens zinloos als je vanuit huis werkt, waarschuwt de Kamer van Koophandel:

“Als uw privé- en vestigingsadres gelijk zijn, heeft het weinig nut om uw privéadres af te schermen. Uw vestigingsadres blijft namelijk zichtbaar en is gemakkelijk te achterhalen als uw privéadres. De enige optie die u dan hebt is om uw bedrijf op een ander zakelijk adres te registreren en daarna uw privéadres af te schermen.”

Virtueel kantoor

Er bestaat nog wel zoiets als een ‘virtueel kantoor’. Dat is een plek, vaak een bedrijfsverzamelgebouw, waar je voor een paar tientjes per maand een zakelijk adres kunt huren om je mee in te schrijven in het handelsregister. Op internet zijn er veel bedrijven die zo’n zakelijk adres aanbieden, maar let op: van de Kamer van Koophandel mag deze constructie helemaal niet.

“Als u een bureau of kantoor voor bijvoorbeeld twee uur per week huurt, dan voldoet u niet aan de eis en registreren wij het niet als bezoekadres. Dit geldt ook voor de huur van zogenaamde virtuele kantoorruimte. In deze gevallen wordt uw privéadres als bezoekadres ingeschreven. Als correspondentieadres mag u het adres van het bedrijfsverzamelgebouw wel gebruiken”, staat op de site van de organisatie.

Met andere woorden: je kunt niet anders dan een écht kantoor of een werkruimte huren als je je privéadres buiten de openbaarheid wil houden. Voor ondernemers hangt aan privacy voorlopig dus een prijskaartje.

Bron: NOS

Het recht van reclame!

Ondanks de aangetrokken economie zijn faillissementen nog steeds aan de orde van de dag en zullen deze ook in de toekomst nog veelvuldig voor blijven komen.

Openstaande factuur bij faillissement?
Een leverancier van een failliet bedrijf vist in geval van een faillissement vaak achter het net indien er nog sprake is van een openstaande factuur. Het is veelal zo dat het saldo van de failliete boedel onvoldoende is om de leverancier ook maar enig gedeelte van zijn vorderingen uit te betalen. Indien er wel een batig boedelsaldo is, ontvangt de leverancier in veel gevallen slechts een fractie van de openstaande vorderingen. Uiteraard is dat erg zuur.

Wat levert eigendomsvoorbehoud op?
Soms kan dit ondervangen worden doordat er een eigendomsvoorbehoud geldt, waardoor de geleverde goederen teruggehaald kunnen worden en zodoende de schade beperkt kan worden. Echter, het komt nog wel eens voor, dat indien een eigendomsvoorbehoud in algemene voorwaarden is opgenomen, er een discussie ontstaat over de geldigheid van dit eigendomsvoorbehoud, omdat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden wordt bestreden indien deze niet voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld.

Wat betekent recht van reclame?
Wat veel bedrijven echter niet weten is dat er nog een wettelijke escape kan zijn en dat is het inroepen van het recht van reclame. Dit is geregeld in artikel 7:39 van het Burgerlijk Wetboek. Het moet dan wel gaan om een koopovereenkomst, waarbij geen sprake is van een registergoed. Een huis is bijvoorbeeld een registergoed. In het geval dat de koopsom niet is betaald en aan de voorwaarden voor ontbinding is voldaan, kan de verkoper het geleverde goed terugvorderen. Dit moet de verkoper doen door middel van een aan de koper gerichte schriftelijke verklaring. Het gevolg van deze schriftelijke verklaring is dat de koopovereenkomst wordt ontbonden. In het geval dat de koper slechts een gedeelte heeft betaald, dan kan de verkoper slechts terugvorderen waarvoor niet is betaald. Indien het bijvoorbeeld slechts één goed betreft, dan is een zodanige verdeling niet mogelijk. Dit kan ondervangen worden doordat de verkoper hetgeen wel is betaald, terugbetaalt.

Een verkoper kan het recht van reclame overigens ook uitoefenen indien er sprake is van eigendomsvoorbehoud. Indien er een eigendomsvoorbehoud is overeengekomen, is het advies altijd om in het voorkomende geval zowel het eigendomsvoorbehoud in te roepen als het recht van reclame. Dit kan door aan te geven dat er een beroep op het recht van reclame wordt gedaan voor het geval dat het eigendomsvoorbehoud niet geldt.

Hoe recht van reclame inroepen?
Het recht van reclame moet echter wel tijdig worden ingeroepen en wel binnen 6 weken nadat de vordering tot betaling van de koopprijs opeisbaar is geworden en binnen 60 dagen, te rekenen vanaf de dag waarop het goed c.q. de goederen aan de koper of aan een door de koper ingeschakelde derde is c.q. zijn afgeleverd.

Bron: Actuele Artikelen

GCV adviseert over voorontwerp implementatiewet aandeelhouders­betrokkenheid

Bepalingen uit de Europese richtlijn langetermijnbetrokkenheid aandeelhouders moeten niet worden uitgebreid met extra nationale regels. De Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht (GCV) van de Nederlandse Orde van Advocaten en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) adviseert de ministeries van Financiën en Justitie en Veiligheid om dit zogenoemde gold plating te voorkomen.

De GCV heeft dit jaar op 23 januari een eerste advies aan het ministerie van J&V uitgebracht over de implementatie van de richtlijn. Op 27 maart reageerde (pdf, 269 kB) de GCV op het voorontwerp. In dit advies wordt voortgebouwd op het eerste advies.

Lidstaatopties
De GCV juicht het toe dat in het voorontwerp weinig tot geen sprake is van gold plating. Het voorontwerp geeft blijk van een toepassing van de lidstaatopties die passend is voor de praktijk.
In lijn met haar eerste advies blijft de GCV sceptisch over het nut en de werkbaarheid van de door de richtlijn geïntroduceerde norm om te stemmen over het beloningsverslag. De GCV is voorstander van het gebruik van de lidstaatoptie om voor kleine en middelgrote vennootschappen het verslag als bespreekpunt op de algemene vergadering op te nemen, als alternatief voor een stemming. De GCV ondersteunt dan ook de keuze van het gebruik van de lidstaatoptie in het voorontwerp op dit punt.

Transacties
Het voorontwerp creëert voor het onderdeel ‘transacties met verbonden partijen’ een nieuwe afdeling die zich beperkt tot beursvennootschappen, zoals ook de richtlijn doet. De GCV heeft waardering voor de in het voorontwerp gemaakte keuzes op dit gebied. De commissie adviseert het richtlijnbegrip ‘materiële transacties’ te hanteren in plaats van ’transacties van betekenis’, om verwarring te voorkomen. De GCV onderschrijft de keuze van de wetgever om gebruik te maken van de meeste vrijstellingsmogelijkheden die de richtlijn biedt, maar begrijpt niet goed waarom geen gebruik gemaakt wordt van de optie om art. 107a transacties vrij te stellen van de openbaarmakings- en goedkeuringsplicht. De toelichting is op dit punt niet voldoende duidelijk.

BV’s met beursnotering
De artikelen in het voorontwerp worden ook van toepassing verklaard op BV’s met beursnotering. Ook wordt een aantal andere artikelen uit het NV recht van toepassing verklaard op BV’s met beursnotering, namelijk de artikelen die de oorspronkelijke richtlijn aandeelhoudersrechten implementeren. Er zijn echter nog andere op beursvennootschappen toepasselijke artikelen in het BW en de Wft die niet van overeenkomstige toepassing worden verklaard, zoals de regeling van het verplichte bod. De GCV vraagt zich af waarom voor deze beperking is gekozen.

Bron: knb

Zelfstandigen en schuldhulp

Wat te doen als je als zelfstandige met je onderneming in zwaar weer terechtkomt en de schulden je zelfs boven het hoofd groeien ? Kan je dan aanspraak maken op een vorm van hulpverlening ? Op grond van de individuele omstandigheden kan wel de toegang tot de schuldhulp worden geweigerd, maar het enkele feit dat sprake is van een onderneming is onvoldoende om geen schuldhulpverlening aan te bieden. Gemeenten vinden soms dat zij ondernemers niet hoeven toe te laten tot schuldhulpverlening omdat het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004) passend en toereikend is. Het Bbz 2004 is een bijzondere bijstandsregeling voor startende en gevestigde zelfstandigen bedoeld als tijdelijk sociaal vangnet. 

Toets van levensvatbaarheid

Als een zelfstandige met schulden bij de gemeente voor hulp aanklopt, stelt de gemeente in het kader van het Bbz eerst vast of die schulden de continuïteit van het bedrijf bedreigen en of het bedrijf nog levensvatbaar is. Als het bedrijf levensvatbaar is, maar door schulden in de problemen is gekomen, kan de gemeente de Bbz-regeling inzetten, bijvoorbeeld door een lening voor herfinanciering te verstrekken. Kern van de regeling is dat het bedrijf van de gevestigde zelfstandige of het op te starten bedrijf levensvatbaar moet zijn. Als het inzetten van het Bbz niet tot de mogelijkheden behoort, komt de schuldhulpverlening door de gemeente in beeld. Dan bestaan verschillende vormen van dienstverlening, opdat de zelfstandige op termijn zijn financiën weer verantwoord zelf ter hand kan nemen, bijvoorbeeld stabilisatie, budgetadvies/-beheer of het treffen van een schuldregeling met schuldeisers. Als het gaat om het treffen van een schuldregeling mag van de schuldenaar worden verwacht dat hij geen nieuwe schulden maakt en dat hij een (in zekere mate) stabiel inkomen heeft waarmee hij een deel van zijn schulden kan aflossen. Voor mensen met een onderneming kan het lastig zijn aan deze voorwaarden te voldoen.

Cijfers stoppende zelfstandigen en schuldhulp aan ondernemers

De Staatssecretaris heeft geen cijfers beschikbaar omtrent het aantal (voormalige) zelfstandigen dat – om aanspraak te maken op gemeentelijke schuldhulpverlening – is gedwongen te stoppen met zijn of haar bedrijf, en welk deel van hen vervolgens aan de slag kon gaan als werknemer in loondienst. Deze gegevens worden voor de gemeentelijke schuldhulp niet op landelijk niveau geregistreerd. Binnen de wettelijke schuldsaneringsprocedure (het mogelijke vervolgtraject bij de rechtbank) vindt wel registratie plaats van het aantal (ex-) ondernemers. In gemiddeld 20% van de schuldsaneringsprocedures gaat het om een (ex-) ondernemer (circa 1600 gevallen). Het overgrote merendeel hiervan moest de onderneming beëindigen en is als werknemer in loondienst aan de slag gegaan. De mediane schuldenlast bij (ex)ondernemers in 2016 bedroeg: € 97.783.

Gedwongen stopzetting onderneming en arbeidsparticipatie

De gemeentelijke schuldhulpverlening is erop gericht om samen met de schuldenaar een oplossing te vinden, via gezamenlijke inspanningen om de (arbeids)participatie van de schuldenaar te behouden of te verhogen. Iemand verplichten om een onderneming, indien deze rendeert, stop te zetten, staat hier haaks op. Sommige ondernemingen vragen echter om voortdurende investeringen. Het tegelijk maken van schulden, in de vorm van investeringen in het bedrijf, staat op gespannen voet met de belangen van de schuldeisers, die later in een schuldsanering mogelijk een (aanzienlijk) deel van hun vordering zien kwijtgescholden. Als het de aard van de onderneming / de conjunctuur in de branche is (of de schuldenaar als leidinggevende !) die de oorzaak is van de problematische schuldensituatie, dan is een voortzetting ook een continuering van het ontstaan van (meer) schulden. In die situatie kan het redelijk zijn dat de schuldhulp stopzetting van de bedrijfsactiviteiten verlangt, indien de onderneming niet rendeert. Ook budgetcoaching is een vorm van schuldhulp. Het Bbz biedt voor een deel van de  zelfstandigen – bij levensvatbaarheid van de onderneming – dus een passende oplossing. Een ander deel zal meer geholpen zijn met de reguliere dienstverlening in de schuldhulpverlening. Het is in de ogen van de Staatssecretaris aan de gemeenten om hierin een beslissing te nemen.

Bron: Actuele Artikelen

In jaren gingen er niet zo weinig bedrijven failliet als in 2017

Het aantal bedrijven dat gedwongen de deuren moet sluiten vanwege een faillissement daalt hard. In 2017 werden 3290 bedrijven en instellingen failliet verklaard. Ter vergelijking, tijdens de crisis in 2013 gingen meer dan 8000 zaken failliet.

Deze eeuw is het aantal faillissementen nog niet zo laag geweest. Het gaat beter met de economie en daardoor houden bedrijven makkelijker het hoofd boven water. Als de trend doorzet, komt het aantal faillissementen dit jaar nog lager uit.

In vrijwel alle branches is het aantal faillissementen gedaald. In de handel gingen nog de meeste bedrijven failliet. Daar vallen onder meer groothandels en winkels onder. Bijna 700 zaken in de handel gingen op de fles. Dat zijn er ruim 250 minder dan een jaar eerder.

In verhouding daalde het aantal faillissementen het meest in Friesland. In Groningen en Flevoland was er een lichte stijging.

Waarschuwing

Curatoren hebben het nu een stuk rustiger dan tijdens de crisis. “Er is minder werk”, zegt curator Job van Hooff van advocatenkantoor Stibbe in het NOS Radio 1 Journaal. “We merken dat het een stuk beter gaat met de bedrijven.”

Hij waarschuwt wel dat bedrijven nu nog kunnen profiteren van de extreem lage rente waardoor ze goedkoop kunnen lenen. “Er is geld in overvloed, maar als straks de rente gaat stijgen, dan komen er bedrijven in problemen. Bedrijven die nu net winst draaien, gaan dan verlies maken. Dat leidt op termijn onvermijdelijk tot meer faillissementen.”

Bron: nos

Stappenplan bij een reorganisatie

Bij een reorganisatie van een onderneming komt veel kijken en vaak is haast geboden, terwijl de wettelijke procedures voorschrijven dat er zorgvuldig naar de belangen van de werknemers, al dan niet vertegenwoordigd in een OR, gekeken moet worden. 

Allereerst dient de onderneming de uitgangssituatie in kaart te brengen (personeel, functies, salaris etc.) en de noodzaak voor de reorganisatie goed te onderbouwen. Ook doet de onderneming er verstandig aan om tijdig met haar personeel in overleg te treden.

Formeel is de onderneming ook verplicht om de reorganisatie als voornemen te presenteren aan de personeelsvertegenwoordiging, zodat het personeel nog een wezenlijke invloed kan uitoefenen op het reorganisatieplan. Bij bedrijven met meer dan 50 medewerkers is de OR de aangewezen gesprekspartner. Is er geen OR terwijl die wel verplicht is, dan zal er eerst alsnog een OR opgetuigd moeten worden, anders kan de uitvoering van de reorganisatie schipbreuk leiden. Het UWV zal in dat geval immers geen ontslagvergunning verlenen als blijkt dat er geen OR is ingesteld. Ook kan elke individuele werknemer de kantonrechter in dat geval vragen om de reorganisatie ‘on hold’ te zetten.

Hoewel bij (gedwongen) ontslag de transitievergoeding geldt als wettelijk vastgestelde vergoeding, doet de onderneming er verstandig aan om een Sociaal Plan op te stellen dat basis is voor overleg met OR en eventueel de vakbonden. Dit Sociaal Plan dient de nadelige gevolgen van ontslag op te vangen en voorziet daarom vaak naast een hogere ontslagvergoeding ook in een vergoeding van outplacement en studiekosten.

Als er twintig of meer werknemers moeten afvloeien is er sprake van een collectief ontslag en is de ondernemer verplicht melding hiervan te maken hiervan bij zowel een vakbond als bij het UWV. Er wordt in dat geval uiteraard kritisch gekeken naar de argumenten, de afspiegeling van werknemers die voor ontslag in aanmerking komen en de inhoud van het Sociaal Plan. Als de OR en/of de vakbond akkoord zijn met de reorganisatie stempelt het UWV de ontslagaanvragen af zonder een al te inhoudelijke toetsing. Als de OR ernstige bedenkingen heeft tegen de reorganisatie en vindt dat ze onvoldoende in staat is gesteld om een goed advies te kunnen uitbrengen, kan zij een procedure starten bij de Ondernemingskamer van de rechtbank te Amsterdam. Deze speciale kamer van de rechtbank kan de reorganisatie stopzetten en zelfs de uitvoering ervan terugdraaien als er serieuze procedurele fouten zijn gemaakt.

Kortom: een reorganisatie dient zeer zorgvuldig te worden voorbereid en het overleg met personeel of personeelsvertegenwoordiging via OR en eventueel de vakbonden dient tijdig te worden gestart zodat ze invloed kunnen hebben op het reorganisatiebesluit en de gevolgen daarvan voor het personeel. 

Bron: Actuele Artikelen

Het concurrentiebeding in tijdelijke contracten

Sinds 1 juli 2015 is de hoofdregel dat alleen in vaste contracten een concurrentie- en/of relatiebeding mag worden opgenomen (7:653 BW). Voor tijdelijke contracten geldt dat uitsluitend wanneer daarvoor zwaarwegende bedrijfsbelangen bestaan, een dergelijk beding aan de werknemer kan worden opgelegd. Die belangen moeten bestaan ten tijde van het aangaan van het beding maar ook op het moment dat de werkgever een beroep op het beding doet. 

Sinds de invoering van deze nieuwe regel zijn diverse uitspraken gewezen en in het merendeel van de gevallen kwam de rechter tot de conclusie dat het geformuleerde beding niet aan de eisen voldeed en het dus nietig was. Maar ook als aan de formuleringseisen is voldaan, redt een werkgever het vaak niet.

Allereerst moet worden geformuleerd tot welke bijzondere vertrouwelijke bedrijfsgegevens deze werknemer in zijn specifieke functie toegang heeft. Dat mogen geen containerbegrippen zijn, er moet echt specifiek worden aangegeven waar het concreet om gaat. Dus ‘de werknemer heeft toegang tot bedrijfsgevoelige informatie’ is onvoldoende. Als aan die formuleringseis is voldaan, moet vervolgens worden beschreven waarom de werkgever zwaarwegende bedrijfsbelangen heeft.

Als dat is gelukt, volgt nog een belangenafweging die alsnog in het voordeel van de werknemer kan uitpakken wanneer de kantonrechter van mening is dat de werknemer onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever. Daarbij geldt in zijn algemeenheid dat een beding in beginsel nooit langer mag duren dan de duur van het afgesproken contract. Een beding van een jaar in een halfjaarcontract zal -als het aan alle andere eisen voldoet- waarschijnlijk worden gematigd. Datzelfde zal gebeuren wanneer door snelle veranderingen in de branche, de kennis al snel niet meer actueel is.

De hoofdregel is dus nu dat een tijdelijke werknemer geen beperkingen kunnen worden opgelegd. Tegen die achtergrond zal de rechter zijn strenge beoordeling moeten geven. Slechts in uitzonderingsgevallen kan er sprake zijn van een belang van een werkgever dat zwaarder weegt dan het belang van de werknemer om zonder restricties elders een baan te aanvaarden.

Overigens geldt uiteraard wel dat een werkgever een tijdelijke werknemer onverkort een geheimhoudingsbeding mag opleggen. Daarmee is een werkgever natuurlijk tot op zekere hoogte ook beschermd.

Bron: Actuele Artikelen

Laat de “kleine lettertjes” van het contract checken

Een goede ondernemer let ook op de kleintjes: De “kleine lettertjes” bij een contract kunnen vaak grote juridische gevolgen hebben. Door de wet worden ze “algemene voorwaarden” genoemd. Zij staan zelden “in” het contract, maar meestal in een bijlage die mede inzet is – of zou moeten zijn ! – van de onderhandelingen. De inhoud van de algemene voorwaarden moet voor de wederpartij vooraf kenbaar zijn, uiterlijk op het moment van sluiten van de overeenkomst, want anders zijn de algemene voorwaarden vernietigbaar. Een ondernemer doet er verstandig aan om de (concept) algemene voorwaarden van de partij met wie men onderhandelt over een contract kritisch te lezen – of als men daar geen tijd in wil steken: door een deskundige te laten checken. 

Algemene voorwaarden vullen de contractsafspraken nader in. Pas op voor het vaak eenzijdige karakter van de “kleine lettertjes”: wilt u zo echt zaken doen ? Als het zakelijk contact tot stand komt is alles koek en ei en staat de goede sfeer en de wil tot samenwerking voorop, maar als na een poos de verhoudingen zich bij tegenwind verharden dan komen de kleine lettertjes om de hoek kijken. Zij bevatten beperkingen van aansprakelijkheid van de wederpartij, en kijk uit voor een zgn. garantiebepaling die een opsomming behelst van de gevallen waarin juist geen garantie bestaat. Opvallend korte termijnen voor de uitoefening van rechten door de andere partij, of hoge boetebedingen bij iedere (kleine) schending van het contract door de andere partij, zonder dat eenzelfde boete verschuldigd zal zijn als de opsteller van de voorwaarden een afspraak niet nakomt.

Algemene voorwaarden zijn volgens de wet snel toepasselijk, en de rechtspraak sluit daarbij aan. De Hoge Raad oordeelde dat als tijdens uitvoerige onderhandelingen tussen professionele partijen door de een in haar offertes steeds wordt verwezen naar haar algemene voorwaarden en ook die algemene voorwaarden worden bijgesloten, zonder dat de ander afwijzend reageert, dat dan de opsteller van de algemene voorwaarden erop mag vertrouwen dat de algemene voorwaarden zijn geaccepteerd.

De wet kent ook een mogelijkheid om een beding in de algemene voorwaarden te vernietigen indien dat beding onredelijk uitpakt. Dat is voor ondernemers wel moeilijker dan voor consumenten. De ruime mogelijkheden tot vernietiging van een “onredelijk bezwarend” contractsbeding zijn volgens het Burgerlijk Wetboek gereserveerd voor de consument. De wet kent uitgebreide artikelen (de zogenaamde zwarte en grijze lijst) waarin bepaalde contractsclausules worden omschreven die onredelijk zijn, of die “vermoed worden” onredelijk te zijn, dus behoudens tegenbewijs. De bijzondere rechtsbescherming van deze twee lijsten geldt niet voor de doelgroep van ondernemers. De wetgever vindt dat ondernemers goed in staat moeten worden geacht om hun eigen belangen te behartigen. Als ondernemer geldt dus sneller “afspraak is afspraak” zonder mogelijkheid om erop terug te komen. 

Bron: Actuele Artikelen

Kabinet wil betere bescherming bedrijven bij overnames

Het kabinet wil bedrijven beter beschermen tegen vijandige overnames, schrijft minister Kamp van Economische Zaken in een brief aan de Tweede Kamer. Hij wil een wettelijke bedenktijd van een jaar invoeren.

Op die manier moet het bestuur van een bedrijf de tijd krijgen om rustig een beslissing te nemen die goed is voor de lange termijn. Aanleiding voor de maatregel zijn de vijandige biedingen op multinationals AkzoNobel en Unilever.

Naïef

Volgens Kamp is het goed als Nederland als open economie niet per definitie afwijzend staat ten opzichte van buitenlandse overnames, “maar we moeten ook niet naïef zijn.”

Kamp vindt de huidige beschermingsmaatregelen onvoldoende. Die bieden volgens hem “niet altijd afdoende verweer tegen druk van activistische aandeelhouders.”

Timing

De minister schrijft zijn brief aan de vooravond van een belangrijke stap in de overnamestrijd rondom AkzoNobel. Maandag staat het chemie- en verfbedrijf tegenover de activistische aandeelhouder Elliott, die aandringt op de verkoop van AkzoNobel. Volgens een woordvoerder van het ministerie is de timing “puur toeval.”

De minister wil zijn plan nog wel eerst tegen het licht houden bij alle betrokkenen, zoals grote beleggers als pensioenfondsen en verzekeraars. Ook kijkt hij nog naar de juridische haalbaarheid.

Kritisch

Beleggers hebben zich al kritisch uitgelaten over plannen voor een dergelijke ‘time-out’. Volgens Eumedion, dat grote investeerders als pensioenfondsen en verzekeraars vertegenwoordigt, zijn er wel degelijk beschermingsmogelijkheden voor beursgenoteerde bedrijven.

Werkgeversorganisatie VNO-NCW is wel voor een wettelijke bedenktijd. Juridische experts zijn verdeeld over de vraag of de plannen juridisch haalbaar zijn.

In Europees verband gaat Nederland verder optrekken met Duitsland, Frankrijk en Italië om ervoor te zorgen dat Europese bedrijven buiten Europa evenveel mogelijkheden hebben om te investeren als niet-Europese bedrijven in Europa. Nu is dat nog te weinig het geval, aldus Kamp.

Bron: NOS