Door te hoge griffierechten steeds minder incassozaken

De Nederlandse rechter behandelt incassozaken sneller dan alternatieven die buiten de rechter omgaan. Bijna altijd wordt een verstekzaak (een zaak waarbij de gedaagde niet aanwezig is) binnen 2 weken afgedaan. Gemiddeld duurt zo’n zaak van begin tot eind 19 dagen.

Ondanks de snelle manier waarop dit soort zaken worden behandeld, daalt het aantal incassozaken fors. Het aantal incassozaken bij de rechter in de periode 2011 – 2017 is met 38 procent gedaald. Het aantal verstekzaken is in diezelfde periode zelfs met 43 procent gedaald. Een aanzienlijk deel van deze terugloop komt door de hoge griffierechten die betaald moeten worden. Deze griffierechten werpen daarmee een te hoge drempel op voor mensen die hun recht willen halen. Ook daalt het aantal rechtszaken door de opmars van incassoprocedures buiten de rechter om, zoals digitale arbitrage.

Essentieel
Toegang tot de rechter is essentieel in een rechtsstaat. Het is 1 van de kerntaken van de overheid om onafhankelijke, onpartijdige en openbare rechtspraak te bieden. Deze rechtspraak, die bindend is en precedentwerking heeft, is een noodzakelijke voorwaarde voor de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid die een rechtsstaat kenmerkt. Daarnaast draagt rechtspraak bij aan normhandhaving, rechtsbescherming en rechtsontwikkeling. Als mensen vanwege financiële redenen niet naar de rechter stappen, schaadt dit de rechtsstaat.

Voorbeeld
Een eenvoudig voorbeeld maakt het probleem duidelijk: als iemand een conflict heeft over een onbetaalde rekening van 700 euro, kost een gang naar de rechter ruim 200 euro alleen al aan griffierechten. Voor bedrijven liggen die kosten nog hoger. De uitkomst is vrijwel altijd dat de verliezende partij alle kosten moet betalen. Dat betekent dat een rechtszaak over een onbetaalde rekening van 700 euro eindigt in een rekening die bijna 2 keer zo hoog is, door de hoge griffierechten en andere bijkomende kosten.

Verlagen
In april dit jaar pleitte Frits Bakker (voorzitter Raad voor de rechtspraak) er al voor de griffierechten fors te verlagen omdat steeds meer mensen afzien van een gang naar de rechter omdat ze het niet kunnen betalen. Bakker: ‘Het vergroten van het aantal zaken is géén doel op zich, maar een noodzakelijk middel om de Nederlandse burger de rechtsbescherming te garanderen die hem toekomt. Een onbelemmerde toegang tot de rechter is hiervoor een cruciale voorwaarde. Want wat heeft de burger aan de rechter als hij zich niet kan veroorloven er gebruik van te maken?’

Proef met rechters op spreekuur succesvol

Een proef met ‘spreekuurrechters’ die de rechtbank Noord-Nederland heeft gehouden, is succesvol verlopen. Mensen die een eenvoudig geschil aan de rechter wilden voorleggen, konden dat zonder dagvaarding of advocaat doen. De rechter hoorde de strijdende partijen aan en adviseerde over een schikking. In 91 procent van de zaken werd het conflict snel, effectief en tegen een laag tarief opgelost, blijkt uit onderzoek. Intussen experimenteren ook andere rechtbanken met zulke laagdrempelige procedures.

Alledaagse conflicten
Alledaagse problemen met de buren, huisbaas, werkgever of bijvoorbeeld een aannemer kunnen veel ellende veroorzaken. Ze komen meestal pas bij de rechter als ze volledig zijn geëscaleerd. De betrokkenen zijn dan veel geld kwijt aan griffierechten en advocaten en komen als eiser en verweerder tegenover elkaar te staan in de rechtszaal, wat niet bevorderlijk is voor een goede relatie. Het streven van de Rechtspraak om zulke geschillen sneller en goedkoper op te lossen, is in de proef met de spreekuurrechters uitgeprobeerd.

Eenvoudige procedure
Anderhalf jaar lang waren 7 ervaren kantonrechters in het noorden beschikbaar om als spreekuurechter op te treden. In totaal hebben zij 64 zaken behandeld, waarvan er 58 eindigden in een schikking tussen de partijen.Het ging vooral om burenruzies, maar bijvoorbeeld ook om conflicten over een verbouwing of een aankoop. Vaak gingen de rechters ter plaatse om met eigen ogen te zien wat er speelde, ook omdat er geen schriftelijke stukken waren waarop zij zich konden baseren. De betrokkenen mochten hun zaak namelijk met een eenvoudige mededeling (zoals ‘de boom van de buren is te hoog’) aanmelden. Als de rechter beide partijen had aangehoord, stuurde hij aan op een compromis. Lukte dat niet, dan hakte hij alsnog de knoop door.

Tevreden deelnemers
Van de deelnemers is 80 tot 90 procent (heel) positief over de spreekuurrechter, blijkt uit onderzoek door de Rijksuniversiteit Groningen en onderzoeksbureau Pro Facto. Ze zijn vooral blij met de snelle behandeling, de lage kosten en de menselijke, niet-juridische benadering door de rechter. Ze vonden de zitting wel lang duren; de rechter moest immers eerst ontdekken wat er speelde. Ook hebben sommige mensen druk ervaren om tot een schikking te komen. Daar staat tegenover dat 71 procent ook na verloop van tijd nog tevreden was over het bereikte resultaat.

Kanttekeningen
Vooral bij burengeschillen lijkt de spreekuurrechter bij te dragen aan een verbeterde, laagdrempelige toegang tot de rechtspraak, stellen de onderzoekers. Zij plaatsen wel kanttekeningen bij het hoge schikkingspercentage. Slechts 40 procent van de aangemelde zaken is ook echt door de spreekuurrechters behandeld, vooral omdat het lang niet altijd lukte om medewerking van beide partijen te krijgen. Dat is wel een vereiste van het wetsartikel (art. 96 Rv) dat zo’n vereenvoudigde procedure mogelijk maakt. Bovendien konden belangstellenden zich niet zelf melden bij de spreekuurrechter. Enkele rechtsbijstandsverzekeraars en het Juridisch Loket leverden de deelnemers aan. Zij meldden vooral zaken aan die kans van slagen hadden. De spreekuurrechter boog zich dus eigenlijk alleen over zaken die zich relatief goed voor een schikking leenden, concluderen de onderzoekers.

Nieuwe experimenten
De Rechtspraak vindt het belangrijk om verder te experimenteren met laagdrempelige procedures. In het hele land zijn ideeën bedacht die ervoor zorgen dat het werk van de rechter zoveel mogelijk effect heeft. Initiatieven die succesvol blijken te zijn, kunnen landelijk worden ingevoerd zodra het kabinet daar geld voor beschikbaar stelt. Zo is in Rotterdam en Dordrecht half september de ‘regelrechter’ begonnen, waar zowel burgers als bedrijven zich kunnen melden om conflicten snel en goedkoop op te lossen. En in Den Haag trekken rechters de wijk in om te helpen de leefbaarheid te vergroten. ‘Wijkrechters’ houden zich vooral bezig met overlast, burenruzies, woninggebreken; alles wat te maken heeft met prettig wonen in de wijk. Anders dan de spreekuurrechters werken zij niet met doorverwijzers; iedereen die de rechter wil spreken, kan zich zelf melden.

Nieuwe wet om rechters makkelijker te berispen of straffen

De Eerste Kamer heeft ingestemd met een wetsvoorstel waarmee de mogelijkheden om rechters bij ongeoorloofd gedrag te berispen of te bestraffen worden verruimd. De Rechtspraak pleit al langer voor zo’n wijziging en adviseerde eerder positief over het wetsvoorstel. De rechterlijke organisatie kan op dit moment maar zeer beperkt maatregelen treffen als rechters ongeoorloofd gedrag vertonen.

Toen eerder de Tweede Kamer instemde met het wetsvoorstel, reageerde Kees Sterk (vicevoorzitter van de Raad voor de rechtspraak) tevreden. Sterk: ‘Het voorstel komt voor een belangrijk deel overeen met voorstellen die de Rechtspraak eerder zelf deed. Op dit moment kunnen we geen maatwerk bieden als een rechter zich ongepast gedraagt. We kunnen óf een schriftelijke waarschuwing geven, of een ontslagprocedure starten bij de Hoge Raad. Een vrij lichte straf en een hele zware straf dus. Dat is echt te beperkt.’ Met het instemmen van de Eerste Kamer wordt de wet nu aangepast en komen hier onder andere de mogelijkheid om te berispen of te schorsen bij.

Meer mensen in de schulden, maar minder in de schuldsanering

Minder mensen worden toegelaten tot de schuldsanering. Door een nieuwe interpretatie van een deel van de wet, komen mensen minder snel in aanmerking, maar er zijn ook minder aanvragen, zegt de Raad voor Rechtsbijstand. Het orgaan vindt het opmerkelijk dat het aantal aanvragen voor de schuldsanering bij de rechter daalt, terwijl de schuldenproblematiek juist toeneemt.

Vorig jaar werden 8.300 mensen toegelaten tot de wettelijke schuldsanering. In 2013 waren dat er nog 12.400. Sindsdien is het aantal elk jaar afgenomen. Het aantal actieve bewindvoerders daalt ook. Dit aantal zakte tot 458 vorig jaar.

Sanering effect bij problemen
Uit cijfers van de branchevereniging voor schuldhulpverlening NVVK blijkt volgens de Raad voor Rechtsbijstand dat meer mensen in financiële problemen zitten. Per saldo worden dus minder mensen geholpen, stelt de raad. De schuldsanering blijft wel een zeer effectief middel om mensen van hun schulden af te helpen. Tien van de elf mensen met schulden was na drie jaar schuldenvrij.

Hoe hoog is uw vakantieloon?

Tijdens een vakantie heeft een werknemer recht op doorbetaling van het loon. Dit wordt ook wel het ‘vakantieloon’ genoemd. Veelal wordt gedacht dat het vakantieloon alleen maar bestaat uit het basissalaris en 8% vakantiegeld. Dit is echter niet altijd juist. De waarde van een vakantiedag is op twee momenten van belang: 1) tijdens de vakantie zelf en 2) op het moment dat de openstaande vakantiedagen worden uitbetaald (bijvoorbeeld bij het einde van het dienstverband).

Ook extra beloningen kunnen meetellen
Uitgangspunt van de wet is dat een werknemer tijdens zijn vakantie niet in een nadeligere (financiële) positie mag komen te verkeren in vergelijking met gewerkte dagen. Het loon tijdens de vakantie moet dus vergelijkbaar zijn met het loon dat hij ontvangt terwijl hij werkt. De hoogste Europese rechter (het Hof van Justitie van de Europese Unie) heeft bepaald dat bij de vaststelling van het vakantieloon moeten worden betrokken alle loonbestanddelen die intrinsiek samenhangen met de werkzaamheden van de werknemer en waarvoor hij een financiële compensatie ontvangt.

Bonus of 13e maand als voorbeeld
Stel, een werknemer komt in aanmerking voor provisies of bonussen. Tijdens de vakantie kan de werknemer geen recht op provisie of bonus opbouwen, gewoonweg omdat hij niet werkt. In verband met de wettelijke regeling moet dus ook de gemiddelde bonus of provisie worden uitbetaald tijdens de vakantie. De bonus en provisie zijn immers een loonbestanddeel dat intrinsiek samenhangt met het werk van de werknemer. Het zelfde geldt voor bijvoorbeeld de vaste dertiende maand, het vakantiegeld en een vaste eindejaarsuitkering. In de rechtspraak is verder geoordeeld dat ook onregelmatigheids-, avond-, nacht, weekend- en ploegentoeslagen deel uitmaken van het vakantieloon.

Termijn niet duidelijk vastgesteld
In de rechtspraak is geen duidelijke lijn te ontdekken voor wat betreft de periode waarover het gemiddelde van betreffende loonbestanddelen moet worden berekend. In de rechtspraak komen referteperioden voor van 3 jaar, maar ook wel van 6 jaar. In elk geval moet een representatieve periode worden gehanteerd. Hieronder volgt een eenvoudig voorbeeld van de berekening van vakantieloon. Stel een werknemer heeft als basissalaris € 2.500,– bruto exclusief vakantiegeld. Verder komt de werknemer in zijn functie in aanmerking voor provisies. Stel dat de gemiddelde provisie (berekend over een langere periode) € 300,– bruto per (hele) maand bedraagt. Stel verder dat deze werknemer gedurende 2 weken (een halve maand) met vakantie gaat. Zoals hiervoor al uiteengezet moet de provisie deel uitmaken van het vakantieloon. Het loon waarop deze werknemer tijdens zijn vakantie recht heeft is dus niet € 2.500,–, maar € 2.650,– bruto. Overigens behoren incidentele of bijkomende kosten, zoals de reiskostenvergoedingen en onkostenvergoedingen niet tot het vakantieloon.

Waar ligt de grens tussen bestendig en incidenteel?
Waar in dit verband de grens ligt tussen ‘bestendig’ en ‘incidenteel’ zal per geval door de rechter moeten worden vastgesteld. In CAO’s komen we nog wel eens bepalingen tegen, waarin is opgenomen dat, bijvoorbeeld, provisies niet worden meegenomen in het vakantieloon. Een dergelijke bepaling heeft echter geen enkele waarde. Immers, een CAO kan een dwingendrechtelijke wettelijke bepaling nu eenmaal niet opzij zetten.

Raad voor de rechtspraak stopt digitalisering handelszaken

De landelijke uitrol van verplicht digitaal procederen in civiele handelszaken (met een belang van minstens 25.000 euro) is definitief van de baan. Dit heeft de Raad voor de rechtspraak bekendgemaakt. Ook het systeem voor digitale procedures in asiel- en bewaringszaken wordt niet verder ontwikkeld.

Diverse redenen
De Raad voor de rechtspraak geeft als reden om te stoppen met de landelijke invoering dat ‘de programmatuur omstreden is’. De Raad vindt het daarom ‘niet verantwoord om het huidige systeem landelijk in te voeren. Ermee doorgaan betekent dat er veel tijd, energie en geld in gestoken moet worden. Bovendien kan het digitale systeem maar beperkte tijd gebruikt worden, omdat de leverancier stopt met de ontwikkeling ervan’.

Geen weggegooid geld?
Verder benadrukt de raad dat de tot nog toe geïnvesteerde 200 miljoen euro geen weggegooid geld is. Bovendien zijn de gemaakte kosten  ‘gedekt binnen de reguliere begroting van de Rechtspraak, met aanvullende bijdragen vanuit het ministerie van justitie en vanuit het beschikbare eigen vermogen’.

Reactie deken
Algemeen deken van de Orde van Advocaten Bart van Tongeren noemt het besluit van de raad ‘uitermate teleurstellend voor de balie’. “Advocaten hebben hun werkwijzen aangepast, personele veranderingen aangebracht en geïnvesteerd in de ICT-voorzieningen waar de Raad om vroeg. Digitaal procederen zou ook zorgen voor een efficiencyslag binnen de rechtspraak en kortere doorlooptijden voor rechtszoekenden. Dan is het een pijnlijke constatering dat het allemaal vervolgens niet doorgaat. Er moet zo snel mogelijk duidelijkheid komen over wat de Raad dan wel gaat doen.”

Geen landelijke invoering digitaal procederen

De Raad vindt het niet verantwoord digitaal procederen in handelsvorderingszaken met verplichte procesvertegenwoordiging landelijk in te voeren. Dat zou namelijk betekenen dat er veel tijd, energie en geld moet worden gestoken in de invoering van programmatuur waarvan de kwaliteit omstreden is, en die ver afstaat van de te ontwikkelen nieuwe oplossing voor de digitale toegankelijkheid van de rechtspraak.

De Raad heeft dit besluit genomen op basis van onder meer de ervaringen die zijn opgedaan bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland, gesprekken met ketenpartners en adviezen over de technische implicaties van landelijke invoering.

Er komt in de toekomst sowieso een nieuw systeem, omdat het huidige platform (Oracle) in de toekomst niet meer zal worden ondersteund. Hierdoor is het draagvlak van de landelijke invoering te dun en het rendement op de totale investering niet verantwoord.

Invalleerkrachten mogen binnenkort vaker invallen

Vanaf volgend schooljaar mogen invalkrachten vaker bijspringen. Scholen in het basisonderwijs en speciaal onderwijs kunnen invalkrachten vanaf komend schooljaar meerdere contracten achter elkaar aanbieden. Nu zijn dergelijke invalkrachten, die soms maar één dag of enkele dagen komen, al snel door hun maximumaantal contracten heen.

Minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) heeft besloten in te grijpen, hoewel hij de wet al wilde wijzigen. Hij reageert op een verzoek van de werkgevers en werknemers. Zij moeten de aanpassing in hun cao’s vastleggen.

Sinds de invoering van de Wet werk en zekerheid (Wwz) vallen scholen in het bijzonder onderwijs onder de zogenoemde ketenbepaling. Dit betekent dat invallers na een aantal tijdelijke contracten recht krijgen op een vaste baan. Voor het primair onderwijs bleek de ketenbepaling een probleem.

Europese procedure voor geringe vorderingen

U wilt een schadevergoeding voor een geannuleerde vlucht, maar de luchtvaartmaatschappij zetelt in Spanje? Of u wacht op de terugbetaling van een niet-geleverde online-bestelling bij een Franse webshop? Wat kunt u doen als uw pogingen tot minnelijke oplossing tevergeefs zijn geweest?

Small claims al sinds 2009 mogelijk
Sinds 2009 kunnen personen die een geschil hebben met een handelaar gevestigd in een ander land van de Europese Unie (behalve Denemarken), gebruikmaken van de Europese procedure voor geringe vorderingen (“small claims”). Dankzij deze procedure kunnen personen met een vordering van maximum 5000 euro hun rechten snel en eenvoudig doen gelden. Omgekeerd betekent dit natuurlijk ook dat debiteuren vanuit het EU-buitenland door een schuldeiser van over de grens gemakkelijker kunnen worden benaderd om hun schuld te innen. Europese regels hebben een vraag- en een aanbodzijde: vanuit het EU-buitenland wordt aan de Nederlandse rechter tot dusverre slechts in 30 gevallen per jaar verzocht om uitvoering jegens Nederlandse debiteuren, maar omgekeerd wordt vanuit Nederland door crediteuren een veel groter beroep gedaan op de Europese small claims procedure jegens debiteuren in het EU-buitenland.

Drempelwaarde verhoogd
Deze verordening geldt voor procedures, waarbij tenminste een van de partijen in een andere lidstaat woont dan waar de rechter gevestigd is. Een vonnis heeft directe rechtsgeldigheid in Europa (behalve Denemarken). Voor deze Europese procedure zijn standaardformulieren opgesteld, die in alle talen beschikbaar zijn. De drempelwaarde was aanvankelijk vastgesteld op maximaal € 2.000,- maar is opgetrokken naar € 5000,-. Deze wijziging is per 14 juli 2017 in werking getreden. Een verhoging van het plafond van een vordering is volgens de Europese Commissie een doeltreffend en kostenefficiënt rechtsmiddel om grensoverschrijdende geschillen toegankelijker maken, vooral voor kleine en middelgrote ondernemingen.

De procedure en de modelformulieren
Om de procedure te starten, moet standaardformulier A worden ingevuld. Dit formulier is te vinden op het Europees e-justice portaal. Alle relevante stukken zoals ontvangstbewijzen en facturen, moeten bij dit formulier worden gevoegd, en door de schuldeiser – die de vordering wil innen – worden toegezonden aan het bevoegde gerecht in zijn land. Wanneer het gerecht het vorderingsformulier ontvangt, vult het zijn deel van het antwoordformulier in. Binnen 14 dagen na ontvangst van het vorderingsformulier wordt een kopie, samen met het antwoordformulier door het gerecht aan de verweerder ter kennis gebracht. Die dient binnen 30 dagen te antwoorden door zijn deel van het antwoordformulier in te vullen. Het gerecht zendt een kopie van een eventueel antwoord van de verweerder binnen 14 dagen toe aan de eiser. Binnen 30 dagen na ontvangst van het (eventuele) antwoord van de verweerder geeft het gerecht een beslissing over de vordering, verzoekt het de partijen om schriftelijk nadere gegevens te verstrekken, of roept het de partijen op voor een mondelinge behandeling.

Procesvertegenwoordiging vaak toch handig
Het is niet verplicht zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen, maar door de specifieke procedure vaak wel handig en praktisch. Als de rechtbank over de nodige uitrusting beschikt, moet de behandeling via tele- of videoconferentie plaatsvinden. Zaken betreffende Europese small claims worden behandeld door de kantonrechter. Praktisch nadeel is dat als de wederpartij een tegenvordering van meer dan € 5000,- instelt (een zgn. reconventionele vordering) dat dan de Europese procedure niet meer gevolgd kan worden. Tegen een beslissing van de kantonrechter staat hoger beroep open binnen 30 dagen vanaf de beslissing.

Advies: schrap verwarrende term roekeloosheid uit verkeerswet

De Raad voor de Rechtspraak vindt dat de term roekeloosheid moet verdwijnen uit de Wegenverkeerswet. Dit om verwarring te voorkomen. Want in de volksmond wordt onverantwoordelijk rijgedrag eerder roekeloos genoemd dan in de rechtszaal, waar “de zwaarste vorm van schuld” moet worden bewezen.

De raad geeft dit advies aan minister Grapperhaus van Justitie. Hij werkt momenteel aan een wetsvoorstel om verkeersdelicten zwaarder te kunnen bestraffen.

Met alcohol op en op hoge snelheid door rood rijden, valt juridisch gezien niet automatisch onder roekeloos rijden, geeft de raad als voorbeeld. Terwijl dit soort rijgedrag door mensen vaak wel als roekeloos wordt gezien. Dat leidt volgens het adviesorgaan tot onbegrip bij slachtoffers, nabestaanden en in de samenleving.

Straatrace of achtervolging

Slechts in uitzonderlijk zware gevallen wordt roekeloos rijden daadwerkelijk bewezen in de rechtszaal. Bijvoorbeeld bij een straatrace of achtervolging. Het is de ernstigste vorm van schuld en kan worden bestraft met een celstraf, oplopend tot zes jaar. Volgens rechtspraak.nl moet nu aan ten minste drie criteria worden voldaan:

  1. De verdachte moet zich buitengewoon onvoorzichtig hebben gedragen.
  2. Door zijn gedrag moet hij een zeer ernstig gevaar hebben veroorzaakt.
  3. De verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest.

Eind 2017 werd bijvoorbeeld een man uit Loosdrecht veroordeeld voor roekeloos rijgedrag. Tijdens een straatrace met zijn zoon had hij een 19-jarige vrouw aangereden, die later overleed in het ziekenhuis. De man kreeg vier jaar cel en de maximale rij-ontzegging van vijf jaar.

Om een eind te maken aan het onbegrip over de term, is het volgens de raad beter om deze te schrappen uit de wet. Eerder werd al bekend dat ook rechters worstelen met vragen over roekeloos rijden.

‘Criteria aanpassen’

De Vereniging voor Verkeersslachtoffers is fel tegen het schrappen van de term roekeloosheid uit de wet. Volgens bestuurslid Hans van Maanen gaat er een afschrikkende werking uit van het woord. “Wij willen niet dat de term wordt afgeschaft. Wat wij willen is dat de criteria voor roekeloosheid duidelijker worden, zodat het makkelijker wordt om verdachten zwaarder te straffen.”

Om iemand te kunnen veroordelen voor roekeloos rijgedrag zou een combinatie van twee verkeersovertredingen die samen tot een ongeval leiden, of één zware overtreding genoeg moeten zijn, vindt Van Maanen. “Dan kun je denken aan iemand die twee keer te hard rijdt, of alcohol heeft gedronken, en dan een aanrijding veroorzaakt.”

Bron: NOS